Het is al een aantal weken geleden. Een artikel in de Volkskrant . Mijn oog viel op de kop: “Hoe doe je dat, verboomeren?”
Ik moest de krantenkop twee keer lezen. Staat er nu echt verboomeren?
Verboomeren? Bestaat dat woord? Waarschijnlijk niet. Maar het deed op de een of andere manier wel meteen wat. Zo’n woord dat zich vastzet en weigert weer weg te gaan.
Het zal bij mensen met een andere achternaam (en dat zijn er echt heel veel) niet iets hebben losgemaakt. Hooguit iets van verbazing over het ook voor hen wellicht onbekende woord, dat eigenlijk een vorm van neologisme is. Maar voor iemand die mijn achternaam draagt, riep het (in ieder geval bij mij) toch iets meer dan verbazing op. Als je het woord een beetje kantelt en splitst staat er ineens. "Verboom eren".
Nou en daar zijn wij thuis niet van.
Zo ben ik niet opgevoed. "Bescheidenheid siert de mens" en het eren van Verboom roept bij mij geen trots op, maar eerder dat specifieke soort schaamrood dat hoort bij een opvoeding waarin “doe maar gewoon” het hoogste levensmotto was.
Iemand eren? Liever niet. Zeker jezelf niet. Op een voetstuk staan voelt al snel ongepast. Ook als anderen dat doen overigens. Bescheidenheid dus. Met de paplepel naar binnen gewerkt. Voornamelijk door mijn vader, die misschien wel ge-ëerd moet worden om zijn bescheidenheid en het “op de achtergrond” staan. Het werd zeer nadrukkelijk zichtbaar, toen hij een koninklijke onderscheiding (meer dan verdiend, trouwens) kreeg opgespeld door de burgemeester van Vianen. Op het podium probeerde hij vooral níét gezien te worden, half verscholen achter mijn moeder — die dezelfde onderscheiding kreeg en moeiteloos de show stal. Mijn ouders zijn karakterologisch (weer zo’n bijzonder woord) contraire aan elkaar.
De binnenvetter die mijn vader is en het extroverte van mijn moeder. De een is flapuit, de ander stil en meestal in een hoekje van de ruimte te vinden. De een altijd positief (met dat halfvolle glas) en de ander meer beschouwend, soms wat somber en vaak met een halfleeg glas. Een symbiose, een mooie Yin-Yang combinatie, die in deze periode van dementie, loslaten en afscheid nemen op een pijnlijke manier wordt doorbroken. Een ander onderwerp overigens, waarover al veel geschreven is in deze Blog-reeks.
Terug naar mijn ouders en het onderwerp nederigheid. Ondanks de verschillen zijn mijn ouders de bescheidenheid en ingetogenheid zelve. Gewone mensen die er op de achtergrond ook gewoon (met alle liefde) zijn, het beleven en regelen. Altijd op de ander gericht overigens. Je zelf wegcijferen (de ultieme vorm van bescheidenheid en zachtmoedigheid), of zoiets.
Maar goed: het Volkskrant-artikel ging natuurlijk helemaal niet over mij of mijn familie. Het ging ook niet over “eren” en “iemand op een voetstuk zetten”. Hoewel…..
Het ging over boomers (uitspraak: boemers). Mensen geboren na 1945: de generatie die het -kort door de bocht gezegd- “gemaakt” heeft. Bezit, zekerheid, een goede baan, een mooi pensioen, een huis en een in ieder geval een mooie plek om te wonen. En daar wringt het nu. Want wie geen boomer is, staat vaak aan de kant terwijl alle stoelen al bezet zijn.
In datzelfde artikel kwam het boek "De bandagist" van Marente de Moor voorbij. Dat is overigens ook logisch bij een recensie, want dat was het artikel eigenlijk. Een roman over iemand die geen dingen geneest, maar ze bijeenhoudt. Met zwachtels. Bandages aanbrengt. Tijdelijk. Zodat het lichaam kan blijven functioneren, ook al kraakt het aan alle kanten.
Dat beeld bleef los van het woord verboomeren dus ook hangen. Want is onze samenleving niet precies zo’n lichaam? Met oude breuken, scheefgroei en pijnlijke plekken? Neem de woningmarkt. Voor veel jongeren is wonen geen startpunt meer, maar een uitputtende evenwichtsoefening. Mijn dochters wonen prachtig — maar betalen voor een (te kleine) kamer meer dan ik ooit aan hypotheek-rente moest ophoesten. Bezit is steeds minder iets wat je opbouwt, en steeds vaker iets wat je erft.
Het probleem is overigens niet dat sommige mensen (alles) hebben, hoewel je daar met een wat linkse inborst ook anders naar kunt kijken. Het probleem is dat het systeem zo strak staat afgesteld dat bewegen bijna onmogelijk wordt. Wie zit, blijft zitten. Wie staat, blijft balanceren.
En precies daar raakt "De bandagist" iets groters. De vraag is niet: wie moeten we ondersteunen? Maar: waarom raakt het lichaam steeds opnieuw overbelast? De echte vraag is of we durven voelen waar het pijn doet, waar het wringt, de vragen durven stellen — maatregelen willen treffen en of we daar dan samen verantwoordelijkheid voor nemen.
Misschien is verboomeren dan toch het juiste woord. Niet als eerbetoon en al helemaal niet als voetstuk. Maar als houding. Erkennen dat je plek niet alleen je eigen verdienste is. Deze tijd vraagt niet om helden, maar om bandagisten: mensen die ondersteunen zonder zich boven anderen te plaatsen.
En ja, daar mag best een beetje lucht bij. Want zolang we nog woorden kunnen verzinnen, ermee kunnen spelen en erom kunnen glimlachen, is er beweging mogelijk.
Dus: verboomeren? Graag. Maar dan zonder voetstuk. Met open handen en oog voor de wereld. Dat mag dan wel verder gaan dan “pleisters plakken” of “bandages aanbrengen”. De vinger op de zere plek leggen en het bespreekbaar maken.
Daar hoort dan ook wel een vorm van bescheidenheid bij overigens. Ook omdat het daarbij niet om jezelf gaat, maar om de ander.




Reactie schrijven
Bram (zaterdag, 17 januari 2026 10:40)
Mooi!
Evie (zaterdag, 17 januari 2026 10:52)
Heel mooi ...alweer!
Myriam (zaterdag, 17 januari 2026 10:57)
Ja mooi. En waar.
Met het woord eren heb ik trouwens altijd wat moeite, ik prefereer 'waarderen'. In het geval van je vader en moeder zelfs de - soort van - vergrotende trap: 'enorm waarderen'.
Joke Vrolijk-Bollen (zaterdag, 17 januari 2026 16:45)
Weer een topper deze blog
!