· 

Vast en Zeker

De afgelopen 40 dagen heb ik gevast. Het is inmiddels een jaarlijks terugkerend fenomeen. Het begint na de carnaval (waar ik overigens niet aan deel neem). 40 dagen vasten en dat betekent voor mij: geen wijn, geen snoeperij, geen gebak, geen snacks, geen desserts, geen koffie, limonade en doordeweeks geen vlees. Een door mijzelf opgelegd en bedacht regime. De eerste week doet het enorm pijn. Met name het gebrek aan koffie breekt mij op. Het is een vorm van ontgiften, waar het lichaam uiteindelijk ook een antwoord op heeft. Er ontstaat een nieuwe balans, het went en sterker nog: uiteindelijk voel je je beter dan voorheen.

 

Dit jaarlijkse ritueel ontstond ooit na een weddenschap met mijn vader. Hij dronk in de periode voor Pasen nooit alcohol. Dat leverde aan de paas-tafel altijd een vrolijke apotheose op, want het eerste wijntje na al die weken onthouding had zichtbaar effect. En wie mijn doorgaans ingetogen vader kent, weet: dat was op z’n minst een vermakelijke en licht ontregelende situatie. Wij, als tafelgenoten, maakten daar gretig gebruik van.

 

Het leidde tot een weddenschap. “Doe het zelf maar eens,” zei hij. Dat heb ik gedaan. En gewonnen ook. Het jaar erop kreeg ik na veertig dagen onthouding – en een net zo vrolijk “paasglas” – een fles wijn cadeau. Maar de vorm van onthouding beviel meer dan goed. Inmiddels zijn we zo’n 35 jaar verder. De weddenschap is uitgemond in een jaarlijkse traditie. En ja, een vrij strak en sober regime hoort daar nog altijd bij. Het scheelt niet alleen een kilo of tien, maar het schuift ook iets in je hoofd recht. Minder vanzelfsprekende luxe, iets meer aandacht voor wat genoeg is. En voor wat er echt toe doet.

 

Geloof speelt daar voor mij ook een rol in. Niet zozeer de dogma’s, maar wel de weg naar Pasen. Het vasten geeft die periode extra diepte. Alsof een iets leger lijf zorgt voor wat meer ruimte in het hoofd. Of om het minder spiritueel te zeggen: je denkt net wat helderder.

 

In de Goede Week voorafgaand aan Pasen bezoek ik trouw de kerkdiensten op donderdag, vrijdag en zaterdag. Ik laat me meenemen in de symboliek van Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Afgelopen weekend, tijdens de paaswake, werd een tekst van de Duitse theologe Dorothe Sölle (overleden in 2003) gelezen.

Ik zal niet geloven in het recht van de sterkste

in de taal van de wapens,

in de macht van de machtigen.

Maar ik wil geloven in het recht van de mens,

in de open hand, in de macht der geweldloosheid.

 

Ik zal niet geloven in ras of rijkdom,

in voorrechten, in de gevestigde orde.

Maar ik wil geloven dat alle mensen mensen zijn,

dat de orde van de macht en het onrecht

wanorde is.

 

Ik zal niet geloven dat ik niets te maken heb

met wat ver van hier gebeurt.

Maar ik wil geloven dat de hele wereld mijn huis is

en het veld dat ik bezaai,

dat allen oogsten van wat allen gezaaid hebben.


De oude tekst raakte me. Misschien juist omdat hij schuurt met de realiteit van vandaag de dag. Omdat hij herinnert aan een wereldbeeld dat we niet kwijt willen, maar waar we soms de moed voor lijken te verliezen. Hoop op een wereld waarin verdraagzaamheid en menswaardigheid ruimte krijgen. Dat klinkt misschien wat naïef en zwaar. Je mag gerust denken: “Die Verboom is door dat vasten het zicht op de realiteit kwijtgeraakt.” Ik neem dat risico maar even.

 

Want eerlijk is eerlijk: het is Pasen, maar de wereld voelt allesbehalve “opstandingswaardig” (maar is het eigenlijk des temeer).  We zoeken paaseieren, klagen wat over brandstofprijzen en doen ondertussen vooral wat we altijd al deden. We zien het onrecht (als we dat nog als zodanig kwalificeren), maar zijn er ook aan gewend geraakt. Grootmachten die spierballen rollen, oorlog die maar doorgaat, ziekenhuizen die gebombardeerd worden, hulpverleners onder vuur. En leiders die spreken over vrijheid en vrede, maar precies het tegenover gestelde doen.

We kijken. En we zwijgen nogal eens. Niet omdat het ons niets doet, maar omdat we geen idee hebben wat ermee of tegen te doen. Hoe je je daartoe verhoudt. Wat je bijdrage nog kan zijn.

 

Ik zal niet geloven in het recht van de sterkste

in de taal van de wapens,

in de macht van de machtigen.

Maar ik wil geloven in het recht van de mens,

in de open hand, in de macht der geweldloosheid.

 

Tja… wat moet je ermee?

 

Tijdens een van de kerkdiensten afgelopen week werd de aanwezigen gevraagd een steen te pakken en die onder een berkenhouten kruis te leggen. Nu is er in de christelijke traditie veel over dat kruis te zeggen, maar in dit geval gaat het mij om het pakken van die steen. Een steen voor dat wat zwaar drukt. Iets wat je meedraagt, soms al veel te lang. Om hem neer te leggen, moest je letterlijk door de knieën. Niet als teken van onderwerping, maar van kwetsbaarheid. Even niet sterk hoeven zijn. Even eerlijk zijn.

 

Het deed me meer dan ik had verwacht. Niet alleen omdat ik zelf ook een steen neerlegde (en daar allemaal gedachten bij had), maar ook omdat ik dat deed in een rij mensen die allemaal iets meebrachten wat eigenlijk te zwaar was om alleen te dragen.

 

De rij.

De stilte.

De traagheid.

De ruimte om te voelen wat je normaal wegduwt.

 

Het was geen religieuze plichtpleging, geen toneelstukje. Het was (voor mij) waardevolle symboliek. Menselijkheid. Misschien ook wel machteloosheid die eindelijk een plek kreeg. Kwetsbaarheid als tegenkracht.

Wat me trof: die stenen stonden niet alleen voor persoonlijke zorgen. Ze droegen ook het grotere gewicht dat we collectief voelen. Oorlog, polarisatie, onrecht, het gevoel dat de wereld schuift terwijl wij langs de zijlijn staan. 

 

Tja… en wat je er dan mee kunt (vraagt de nuchtere Erwin in mij)? 

 

Verandert dat dan de wereld van vandaag? Niemand die er iets van merkt. De bommen vallen na de paasdagen nog steeds op Beiroet, op burgerdoelen in Iran en ga zo maar door. Zo'n steen op een stapel verandert er echt niets aan.

 

Misschien gaat het wel om het collectieve besef, om de beleving dat het anders moet en kan. Misschien moet het daar gewoon nadrukkelijker mee beginnen. Een steen verleggen (hoe klein de beweging ook is) is in ieder geval iets. Al is het alleen maar om het besef dat het anders moet en kan te laten ontstaan. Ik moest onwillekeurig denken aan een lied van Bram Vermeulen.

Het is een wat beladen blog geworden. Al schrijvend (het is bijna prekend) wist ik niet zo goed waar ik uit zou komen. Dat weet ik eigenlijk nog steeds niet. Ik maak me zorgen over hoe het dichtbij en veraf gaat. 

 

Dat is eigenlijk de boodschap. Ik wil niet beargumenteren dat de lezer van deze tekst dat niet doet. Ik hoop alleen dat we met elkaar stenen gaan verleggen, dat we in beweging komen, opstaan (om maar iets dat wat met Pasen van doen heeft, te accentueren) en het andere geluid laten horen.

 

Het moet toch anders kunnen? Als we allemaal een steentje bijdragen of verleggen, dan gaan we best een eind komen… 

 

Vast(en) en Zeker.

 

Reactie schrijven

Commentaren: 0