Een zomervakantie in Portugal. De eilandengroep die de Azoren heet. Ergens tussen Portugal en Amerika in. Op 4 uur vliegen van Amsterdam. 2 uur tijdsverschil. Het schijnt er nogal mooi tezijn. Bloemeneilanden, vulkanen, lava, dolfijnen en walvissen. Het zou ook niet zo toeristisch zijn. We gaan het ontdekken!

Tegen de tijd in

Er zijn van die periodes waarin je denkt dat je de tijd kunt managen. Niet de agenda, niet de werkzaamheden, maar de tijd zelf.

De afgelopen maanden leek het soms net of ik dat probeerde. Leven in een roller coaster. In het werk waar ik leiding geef aan een stafeenheid met 7 afdelingen. Schakelend tussen deze 7 clubjes. Een vertrokken afdelingshoofd waarnemen en het managen van de dynamiek die dat met zich meebrengt qua personele problematiek, inhoudelijke vraagstukken en alles waar een manager doorgaans een dagtaak aanheeft. Maar ook tijdelijk het management van een zeer omvangrijk programma erbij doen. Een overlegje hier, een besluit daar, een deadline die wat meer aandacht nodig heeft. Je weet het wel. Alles belangrijk. Alles urgent. Alles nú. En alsof dat nog niet genoeg is: Nog wat bestuurlijk- en vrijwilligerswerk in de avonduren erbij. Voor dag en dauw naar Bilthoven en 12 uur later weer zo’n beetje naar huis (voor het avondprogramma). Heerlijk! Ik leef ervan, ik leef erop. Ik geniet ervan. Al jaren eigenlijk. En mensen die daarbij zorgelijk vragen hoe ik dat dan allemaal doe, beantwoord ik meestal schouderophalend met een zin, waar in ieder geval het thema "hoog energie-niveau" wordt geadresseerd.

 

In al die hectiek en energievreters zit natuurlijk iets verraderlijks. Want drukte heeft een eigen aantrekkingskracht. Het werkt een soort verslavend. Het geeft energie, betekenis, adrenaline zelfs. De voortdurende stroom van vragen, problemen en verantwoordelijkheden voelt als bewijs dat je ertoe doet. Alsof het leven zich afmeet aan de snelheid waarmee je agenda vol loopt. Het heeft misschien wel met status te maken. “Hoe gaat het met je?” Het antwoord moet dan zijn: “Goed hoor, druk, heel druk…”.

De drukte: Het levert een vorm van dagvulling en gedrag op, die je nog echt leuk vindt ook. Het is een verslavende vorm van levendigheid.

 

Totdat je ontdekt en ervaart dat je vooral heel druk bent met het vullen van de tijd. Niet met het beleven ervan. Je fladdert door het leven, door het werk, door de vergaderingen, zonder verbinding te maken. Die gedachte drong zich zeer nadrukkelijk aan me op tijdens *Anima Obscura* van het Scapino Ballet, dat ik vrijdag met Irene bezocht. Een voorstelling die zich beweegt langs een van de oudste menselijke obsessies: de droom van onsterfelijkheid. Los van dat thema: ik heb nog nooit zoiets indrukwekkends in een theater gezien. Wat een pracht, wat een muziek, wat een beelden, wat een onroerend en overweldigend verhaal… Het applaus na het optreden hield minuten lang aan. Een aanrader voor een ieder die van ballet en klassieke muziek houdt!

Eeuwenlang hebben mensen gezocht naar manieren om de dood te slim af te zijn. In mythen, religies, alchemie, wetenschap en technologie. Altijd hetzelfde verlangen in een andere verpakking: langer leven, sterker worden, verdwijnen voorkomen.

In het Spiegeltheater zagen we die zoektocht voorbijtrekken in een overweldigende stroom van beelden. Duistere rituelen. Wetenschappelijke experimenten. Lichamen die de grenzen van het menselijke lijken te overstijgen.

 

Maar gaandeweg begon ik iets anders te zien. Die zoektocht gaat eigenlijk niet over de dood. Ze gaat over controle.

Over onze moeite om te accepteren dat het leven eindig is. Dat het zich niet laat vastzetten, optimaliseren of permanent veiligstellen. Dat alles wat waarde heeft juist kwetsbaar is omdat het voorbijgaat.

 

Misschien is dat wel de grootste paradox van ons bestaan.

We proberen het leven te beschermen tegen vergankelijkheid, terwijl juist die vergankelijkheid het leven betekenis geeft. De muziek van Brahms maakte dat besef nog scherper. Zijn muziek heeft niets van een overwinning op het noodlot. Geen triomf over de tijd. Geen belofte van eeuwigheid. Wat je hoort, is iets veel moedigers. Acceptatie, aanvaarding. Alsof iedere muzikale gedachte zegt: dit moment is genoeg. Niet omdat het blijft, maar omdat het voorbijgaat.

 

Terwijl de laatste noten door de zaal zweefden, moest ik denken aan mijn eigen leven, aan mijn loopbaan, aan het feit dat ik op 1 december stop met werken. Dat klinkt soms groter dan het is. Alsof er een deur dichtgaat naar een wereld die decennialang bepalend is geweest. Maar misschien is stoppen niet zozeer een einde als wel een erkenning van iets dat altijd al waar was. Dat het leven uit fases bestaat.

En dat geen enkele fase bedoeld is om eeuwig voort te duren. Toch merk ik hoe diep de reflex van controle zit. Hoe gemakkelijk je jezelf vertelt dat je nog even door moet. Nog dit project. Nog deze verantwoordelijkheid. Nog deze periode.

 

Alsof waarde ontstaat door onmisbaarheid. Maar wat als dat een misverstand is? Wat als de belangrijkste vraag niet is hoeveel we doen, maar hoeveel we werkelijk ervaren of hoeveel we er kunnen zijn voor de ander? Die gedachte krijgt in deze dagen nog een andere lading omdat mijn vader dit weekend (eindelijk) verhuist naar een verpleeghuis. Naar dezelfde plek waar mijn moeder al woont. Zij “op de gesloten afdeling” en hij twee verdiepingen hoger. Op schuifel-afstand. Zo'n moment van verhuizen laat zich niet plannen, versnellen of uitstellen. Lees ook de vorige blog.

Het gebeurt gewoon. Omdat de tijd doorgaat. Omdat ouder worden geen project is dat je kunt managen, maar een werkelijkheid die zich ontvouwt.

 

En zo komen verschillende lijnen samen. De dansers op het toneel. De stapel werk op mijn bureau. Mijn ouders. Mijn naderende afscheid van het werk. Allemaal herinneringen aan dezelfde waarheid: het leven beweegt altijd verder. Niet ondanks zijn eindigheid, maar dankzij die eindigheid. Misschien is de zoektocht naar onsterfelijkheid daarom uiteindelijk een indrukwekkende omweg. We denken dat we meer tijd nodig hebben.

Maar misschien verlangen we eigenlijk naar meer aanwezigheid. Meer aandacht. Meer bewustzijn. Meer echte verbinding. Meer leven in de tijd die ons gegeven is.

 

De echte tegenstelling is misschien niet die tussen sterfelijkheid en onsterfelijkheid. Maar tussen bezig zijn en aanwezig zijn. Tussen vullen en beleven. Tussen denken dat iets belangrijk is en ontdekken wat werkelijk van betekenis blijkt te zijn.

Een volle agenda kan belangrijk lijken. Een vergadering. Een rapport. Een deadline. Maar aan het einde van een mensenleven (als w het dan toch over deadlines hebben) zijn het zelden die dingen die blijven resoneren. Dan gaat het over gesprekken. Over nabijheid. Over liefde. Over muziek. Over een wandeling over de Renderklippen (de hei in onze omgeving), langs de IJssel, een wandeling zonder bestemming, over dat wat je voor een ander hebt betekend. Over een kop koffie waarvoor je eindelijk de tijd neemt.

 

Misschien is dat wel wat Brahms mij die avond in het Spiegeltheater influisterde. Dat de schoonheid van een symfonie niet schuilt in haar laatste noot die uitblijft, maar juist in het feit dat die laatste noot “ooit” klinkt. Dat eindigheid geen gebrek is, maar een voorwaarde voor betekenis.

 

En dat stoppen met rennen soms geen verlies is, maar een terugkeer. Niet weg van het leven. Maar er juist dichter naartoe.

 

Tegen de tijd in. Met Brahms als kompas. Ik kijk uit naar 1 december.

3 Berichten

Schandelijke Eenzaamheid

“Ik kan wel janken zo alleen.”

 

Het is een regel uit een gedicht van Freek de Jonge die maar rond blijft zingen in mijn hoofd. Omdat hij alles zegt wat wij al maanden voelen, maar niet gehoord krijgen.

 

Omdat hij pijnlijk precies verwoordt wat mijn vader doormaakt. En omdat het zorgsysteem waarin wij zo graag geloven, domweg keihard faalt.

 

Mijn vader zit al maanden in een revalidatiecentrum. Ervenstaete in Houten en onderdeel van Zorgspectrum.  

Officieel krijgt hij ook “zorg”. In werkelijkheid is hij uitbehandeld. Hij hoort daar niet meer. Dat vindt de instelling zelf ook. Ze willen hem naar huis sturen. Punt. Dossier dicht.

 

Maar thuis kan hij niet zijn.

Hij kan amper op zijn benen staan. Elke gang naar het toilet is een bijna-val. Zijn handen trillen zo dat een pakje boter openen al te veel gevraagd is. Zelfstandig douchen? Onmogelijk. Veilig alleen zijn? Onverantwoord. Dat vinden wij. Dat vindt de thuiszorg en je zult het geloven of niet: de thuiszorg is in dit geval ook Zorgspectrum (maar dan een ander onderdeel).

 

En toch is dát het plan.

De thuiszorg is helder: zij kunnen de benodigde zorg niet leveren. Niet met de middelen, niet met de tijd, niet met de verantwoordelijkheid die dit vraagt. Hun advies is eenduidig: een verpleeghuis.  En wij zeggen dan: liefst daar waar mijn moeder ook zit. Een plek waar 24-uurszorg vanzelfsprekend is. Waar mensen niet alleen “verzorgd”, maar ook gezien worden.

Maar dan komt het systeem.

 

De instantie (het CIZ) die een indicatie moet afgeven, komt niet verder dan VVT 4. En VVT 4 betekent: thuiszorg. Geen verpleeghuis. Geen opname. Geen financiering. Regels zijn regels. Hokjes zijn hokjes. En wie daar niet precies in past, valt ernaast.

 

Mijn vader valt ernaast.

 

Een verpleeghuis (Batenstein in Vianen en onderdeel van….. je raadt het al: Zorgspectrum) kan hem niet opnemen, want zonder de juiste indicatie krijgen zij geen cent. De thuiszorg kan hem niet helpen, want zij hebben de capaciteit niet. Het revalidatiecentrum wil van hem af, want hij levert niets meer op en houdt een kamer en een bed bezet. En wij?

 

Wij staan machteloos toe te kijken hoe een mens (onze lieve vader) vermalen wordt tussen procedures, geldstromen en verantwoordelijkheden die niemand durft te nemen. Wij snappen er niets van en mijn lieve vader snapt er niets van en is zeer moedeloos, verdrietig en wordt steeds depressiever. De telefoontjes die ik van hem krijg doen pijn. Ik wil hem hoop geven, zeggen dat we er mee bezig zijn (en dat is ook zo), maar kan het gewoon niet uitleggen.

 

En ondertussen is hij eenzaam en zit hij daar maar alleen in een lege kamer. Naar een TV te kijken, die dan niet eens aanstaat.

 

Ja, hij krijgt bezoek. Bijna elke dag. Daar ben ik dankbaar voor. Maar bezoek vult geen dagen. Bezoek vult geen nachten. Tweeëntwintig uur per dag zit hij alleen. In een kamer waar niets meer gebeurt. Waar niemand vraagt hoe het écht gaat. Waar de zorg professioneel is, maar afstandelijk. Waar hij voelt dat hij “te veel” is. Een last. Iemand die ze liever kwijt dan rijk zijn.

 

“Nog nooit duurde de nacht zo lang.”

 

Verdriet vertraagt de tijd, schreef Freek de Jonge. En dat is precies wat ik zie. Mijn vader is verdrietig. Hopeloos. Gespannen. Hij slaapt slecht, ligt wakker van angst over wat komen gaat. Over naar huis moeten terwijl hij weet dat dat niet kan. Over vallen. Over alleen zijn. Over de vraag die niemand beantwoordt: waar hoor ik nog thuis? Wie zorgt er nog voor mij?

 

Ik ben boos. Boos op een systeem dat zegt mensgericht te zijn, maar de mens vergeet zodra het ingewikkeld wordt. Boos op regels die belangrijker lijken dan veiligheid. Boos op procedures die eindeloos doorgaan, terwijl een kwetsbare oude man elke dag een beetje verder afglijdt. Boos op mijn eigen machteloosheid en natuurlijk boos op Zorgspectrum (waar iedereen nog z’n best doet ook).

 

“Lang leve het zorgsysteem in Nederland”, zeggen we dan cynisch. Maar er is niets om te vieren als dit de uitkomst is.

 

Wat kunnen we doen?

 

Dat is de vraag die blijft hangen. Net als die ster in het gedicht, die valt zonder antwoord te geven.

Wat ik wél weet: dit is schandelijk. Deze eenzaamheid is niet onvermijdelijk, maar georganiseerd. En zolang we blijven accepteren dat regels zwaarder wegen dan mensen, zal dit verhaal zich blijven herhalen. Bij mijn vader. Bij duizenden anderen.

 

“Waardoor ik zo eenzaam ben

Ik kan wel janken zo alleen.”

 

En misschien is dat wel precies wat we moeten doen. Janken. Schreeuwen. Schrijven. Tot iemand eindelijk luistert. Hieronder het gedicht van Freek de Jonge... en.... misschien moeten we deze blog maar eens doorsturen naar de bestuurders van de zorg, de politiek en een ieder die hierin iets zou moeten betekenen....

Wel janken zo alleen

 

Luister naar de nachtzwaluw

Diens vleugellamme klacht

De vrachttrein krijst een tweede stem

Ik ben zo eenzaam als de nacht

 

Nog nooit duurde de nacht zo lang

Verdriet vertraagt de tijd

De maan kruipt weg achter een wolk

Verstopt zijn kop en schreit

 

Zag jij ooit een huilend roodborstje

De herfst verwoest haar nest

Haar lust te leven is vergaan

Ik ben zo eenzaam als de pest

 

Er valt een stilte en een ster

Op mijn vraag waar ging je heen

Waardoor ik zo eenzaam ben

Ik kan wel janken zo alleen

 

Tekst: Freek de Jonge

Oorspronkelijke titel: I’m So Lonesome I Could Cry (1948)

Tekst en muziek: Hank Williams jr.

Bekend in de uitvoering van: Hank Williams jr.

6 Berichten

Bungelende voeten...

De ochtenden op hemelvaartsdag hebben voor mij altijd iets eigens. De wereld is stiller, de lucht lijkt lichter, en zelfs als je niet bijzonder theologisch bent ingesteld, hangt er een soort verwachtingsvolle rust in de lucht. Al jaren lang zoek ik in de vroege ochtenduren op deze dag de natuur op. Dauwtrappen. Genieten van dat wat je om je heen kunt zien en waar je in de vaart der volkeren zo vaak aan voorbij loopt. Genietend van de stilte, de ontluikende natuur, de dauw op het land, de heide die er stil en verlaten bij ligt. 

 

Deze keer echter niet. 

 

De warmte van het bed hield mij gevangen, terwijl de regen (het leek wel hagel) tegen het dakraam kletterde. De voeten dus niet in de wandelschoenen gestoken. Ze staken wel onder de dons vandaan over de rand van het bed. Verder kwamen ze zo (zo bungelend uit het bed) vlak na het ochtendgloren niet. 

 

Hemelvaart 2026: zonder dauwtrappen. Voor mij was het een unicum. 

 

Wel een kerkbezoek afgelegd overigens. Dat hoort ook bij de traditie. Dus in die zin uiteindelijk het bed wel verlaten. Zo zat ik vanmorgen in de kerk, waar een afbeelding werd getoond van een altaarstuk uit de kapel van La Houssaye in Frankrijk. Een prachtig, ietwat naïef ogend werk, waarin een groep knielende mensen omhoog kijkt — naar een wolk waaruit alleen nog twee voeten steken. 

 

Het is een bijna komisch beeld: de leerlingen die Jezus nakijken, maar eigenlijk al te laat zijn. De rest van hemelvaart is letterlijk al uit beeld verdwenen. Alleen die voeten nog, bungelend uit een wolk. Het is een verbeelding die je bijblijft, juist omdat hij zo menselijk is: wij, die maar blijven staren naar wat we niet meer kunnen zien.

 

Al die naar boven kijkende mensen, die amper oog hebben voor dat wat er om hen heen gebeurt. Ik moest denken aan die reclame van de spanplafonds. Je weet wel: iemand die voortdurend mensen tegen komt ,die naar boven kijken, zo gefascineerd door de strakke plafonds: overal tegenaan botsend: tafels, deuren, mensen.  Alles wordt een obstakel wanneer je blik alleen maar omhoog gericht is. Volgens mij overigens niet de boodschap die achter het hemelvaart-verhaal zit. De boodschap en symboliek achter hemelvaart is eigenlijk precies andersom:  kijk gerust omhoog, maar vergeet niet om je heen te kijken.

 

Want het leven gebeurt niet alleen boven je hoofd, maar vooral naast je, voor je, achter je en soms zelfs onder je voeten.

 

Dat beeld past bij het theaterbezoek dat Irene en ik afgelopen week aan Zwolle brachten. "Rekhelzen" de theatervoorstelling van Yentl en de Boer. De titel alleen al: Rekhelzen — dat beeld van jezelf lang maken, je nek uitstrekken, reikhalzend uitkijken naar iets dat misschien komt, misschien niet.

 

Rekhalzen: Het is oudhollands voor reikhalzen. Hoe verder de halzen reiken en hoe hoger de nekken rekken, hoe beter. Want dat is waar Yentl en de Boer aan toe zijn. Ze gaan op zoek naar... Naar iets van een richting. Hun humoristische blik op het leven is precies dat: kleine gedragingen uitvergroten tot het absurde, waardoor je ineens ziet hoe vreemd, herkenbaar en soms pijnlijk menselijk we eigenlijk zijn. Ongemakkelijke situaties in de persoonlijke sfeer — we kennen ze allemaal. Die momenten waarop je je druk maakt om iets kleins, iets onbenulligs, maar het voelt als een groots probleem.

 

Yentl en de Boer leggen dat bloot met een soort liefdevolle spot. Je lacht, maar je denkt ook: ja, dit ben ik. En misschien is dat wel de kracht van humor: het laat je even van een afstand naar jezelf kijken, zonder oordeel. Hoe vaak zit je niet in een ongemakkelijke situatie omdat je iets onbesproken hebt gelaten of je juist verkeerd hebt uitgedrukt?

 

En over ongemakkelijke situaties gesproken — al is “ongemakkelijk” hier een veel te mild woord. Wat er in Loosdrecht afgelopen week gebeurde, dat protesterende tuig dat meent dat schreeuwen, intimideren en vernielen een vorm van “ruimte opeisen” is… daar schaam je je toch kapot voor.  Ik wel in ieder geval. 

 

Het heeft niets te maken met reikhalzend uitkijken naar een beter perspectief, naar het goed hebben met elkaar.

Het heeft niets te maken met hoop, of met samenleven, of met ruimte geven. Het is domme — heel domme — volkswoede, gericht op iets dat er totaal los van staat.

 

Waar Yentl en de Boer laten zien hoe menselijkheid eruitziet wanneer je het uitvergroot, laat Loosdrecht zien hoe lelijk het wordt wanneer je het verkleint tot domme en pure agressie.

 

Hemelvaart, een altaarstuk met bungelende voeten, een reclame over spanplafonds, voeten die onder de dons uitkomen, een theatervoorstelling vol humor en herkenning, en dan de harde realiteit van protesten die ontsporen — het lijkt misschien een vreemde combinatie. Maar ergens raakt het allemaal aan dezelfde vraag:

 

Waar richten we onze blik op?

 

Alleen omhoog?

Alleen naar binnen?

Of ook naar elkaar?

 

Misschien is het verstandig om af en toe omhoog te kijken — naar wat ons overstijgt, naar wat ons inspireert. Maar minstens zo belangrijk is het om om je heen te kijken. Naar de mensen naast je. Naar de wereld waar je deel van bent. Naar de beweging die nodig is om het samen leefbaar te houden. Daar horen bungelende voeten bij. Uit een wolk of misschien ook wel onder de dons vandaan.

 

En soms, heel soms, helpt het om er met humor naar te kijken.

Zodat we niet alleen rekhelzen naar wat beter kan, maar ook zien wat er al is.

1 Berichten

To Die For....

To Die For. Het is een mooie engelse titel. Je moet hem (deze blog lezend) maar niet te letterlijk nemen: "om voor te sterven". In het het Nederlands wordt dat direct wat zwaar beladen. Als je op internet naar een vertaling of synoniemen zoekt, krijg je iets in de sfeer van “om van te watertanden”, “om weg te dromen” of “zo goed dat het bijna niet normaal is”.

 

Dat zijn dan overigens kwalificaties die absoluut niet van toepassing zijn op hetgeen Irene en ik afgelopen dinsdag in Zwolle meemaakten. We hadden er echt zin in: Een avondje theater na twee bijzondere weken. Ons 40 jarig huwelijk en een groot feest dat we gaven, een begrafenis in Monaco en dat allemaal in combinatie met (voor mij) een zakelijke mailbox en agenda die zo vol zitten, dat ik dag en nacht zou kunnen werken. En dat laatste gebeurt dan misschien ook wel. En dat schrijf ik dan met niet eens het schaamrood op de kaken: je bent een workaholic of niet….

 

Een avondje theater is dan een mooie vorm van afleiding en ontspanning. Opera deze keer. We houden ervan. Een Comedy stond er in de aankondiging. Het leek ons wel wat: “to die for…” - om van te watertanden.

 

En toch: soms begint een avond al met een fluistering die je eigenlijk niet wilt horen. Zo’n zacht stemmetje dat zegt: dit wordt hem niet. Irene en ik liepen het Spiegeltheater binnen, zoals gezegd: verwachtingsvol. De zaal — nog geen kwart gevuld — voelde echter als een early warning. Alsof de lege stoelen ons iets wilden vertellen.

 

We gingen zitten. Het licht doofde. En toen begon het: een man die in het donker zingend overeind schiet uit zijn bed, terwijl zijn vrouw en zijn schoonmoeder (gekker hoef je het niet te bedenken) naast hem liggen te slapen. Hij schiet overeind: niet door een visioen, niet door een aria vol wanhoop, maar omdat hij trek heeft in… leverworst.

Leverworst als ouverture. Je moet het maar durven. Irene en ik keken elkaar aan. Zo’n blik die zegt: we houden van opera, maar dit… dit is net iets anders.

 

Het verhaal, zo bleek later, was een satirische tragikomedie over een man die overweegt zichzelf van het leven te beroven — en een stoet aan opportunisten die hem aanspoort dat vooral in hún naam te doen. Een realityshow-presentator die het live wil uitzenden. Een priester die alvast het requiem oefent. Een schrijfster die een bestseller ruikt. Het was grotesk, luid, absurd, en vooral: overvol. Een opera die zichzelf (wat ons betreft) voortdurend overschreeuwde. Wel goed en knap gezongen overigens.

 

In de pauze dronken we onszelf met het aangeboden drankje nog wat moed in, maar… het besluit was snel genomen. We kunnen beter naar huis gaan. Soms is weggaan geen vlucht, maar zelfbehoud. Alzo geschiedde.

 

En toch bleven die titel en het thema van dat stuk in mijn hoofd rondzingen: To Die For…

Niet vanwege de opera, maar omdat hij ineens een andere, scherpere betekenis kreeg toen ik vrijdagmiddag vanuit Eindhoven op weg naar Heerde langs Vianen en Houten reed. Aan die plekken kan ik niet voorbij rijden zonder even bij mijn ouders langs te rijden. Ik schrijf er vaak over op deze plek: mijn liever ouders. Ze hebben (om maar even terug te komen op die opera) niets met theater. Niets met schone schijn. Niets met applaus, spotlights of dramatische gebaren. En toch staan ze nu midden op een soort toneel dat ze nooit hebben willen betreden. Een theaterstuk dat je niet mee wilt maken. Een stuk zonder regisseur, zonder decor, zonder uitweg (en in ieder geval ook: zonder leverworst). 

 

Vaderlief zit na een ziekenhuisopname al meer dan acht weken in een revalidatiecentrum in Houten. Ervenstaete noemen ze het. “Staete” is een veelgebruikt Nederlands achtervoegsel dat wordt gebruikt bij de naamgeving van voorname en statige gebouwen. Het geeft een gebouw een bepaalde status of uitstraling. Het beeld dat de naam “Staete” oproept klopt dan overigens helemaal niet bij de op elkaar gestapelde containers die ze dan zorginstelling "Ervenstaete" noemen. Nu wil ik in dit geval niets over de zorg zeggen, maar als je een paar dagen in zo’n leeg en doods gebouw zit, wordt de letterlijke vertaling van “to die for” toch passender dan de associatie die het begrip “om van te watertanden” oproept.

 

Mijn vader zit er al een paar maanden.

Hij verveelt zich.

Hij wacht.
Hij is uitbehandeld (tenminste: zijn revalidatie traject is afgerond; hij kan weer wat lopen, schuifelen is het eigenlijk)
En hij vreest, net als wij, dat de indicatie voor een verpleeghuis niet komt.

 

Dan moet hij terug naar zijn stille huis.

Een huis dat ooit vol leven was, maar nu vooral gevuld is met echo’s uit een verleden, foto’s en waar wellicht 2 keer per dag (misschien wel meer) de thuiszorg zijn steunsokken komt aan- of uittrekken. .

 

Een plek waar de dagen lang zijn en bewegingsruimte ook zeer beperkt.

 

Voordat ik naar Houten reed, ook langs moederlief in Vianen.

 

Mama …. verdwaald in dementie. Amper nog te bereiken. In een mensonterende toestand waarin de ziel los is geraakt van de wereld. Als je leven zo moet eindigen? Ik spreek haar in de stille kamer aan. Hi mams, dag moeke.. ze kijkt even op. Een lieve glimlach en dan draait zich weer van mij af (in een soort foetushouding op haar bed).

 

Wat blijft er over van waardigheid?

Van keuze?

Van menselijkheid?

Niets om van te watertanden in ieder geval...

 

De opera probeerde een tragikomedie te zijn. Dat lukte voor ons niet echt. De echte tragikomedie speelt zich af in zorginstellingen, revalidatiecentra, verpleeghuizen. Daar waar mensen wachten. Waar systemen stroperig zijn. Waar families machteloos toekijken.

Waar liefde botst op bureaucratie, op budgetten en verzekeraars en een zorgsysteem dat failliet is.

 

Mijn ouders zouden nooit in een toneelstuk optreden. De schijnwerpers opzoeken (hoewel.... mijn moeder in haar goede dagen 😉❤️). Maar ze maken toch ook deel uit van een theaterstuk waar je niet vrolijk van wordt. Niet in een absurdistisch stuk met leverworst en reality-tv, maar in een stille tragedie die niemand wil zien — omdat hij te echt en te pijnlijk is.

 

En toch is er liefde.

En zorg.

En nabijheid.

En de kleine momenten waarop mijn (sombere) vader even glimlacht.

Of mijn moeder mijn hand nog net een seconde langer vasthoudt.

 

Misschien is dat het enige wat ons staande houdt in dit ongevraagde theaterstuk, waarin we in de pauze niet eens weg kunnen of willen: dat we blijven zorgen, blijven liefhebben, blijven vasthouden

 

Zonder applausbord.

Zonder decorwissel.

Zonder schone schijn. Alleen maar menselijkheid.

 

In zijn meest kwetsbare vorm.

 

2 Berichten

Vast en Zeker

De afgelopen 40 dagen heb ik gevast. Het is inmiddels een jaarlijks terugkerend fenomeen. Het begint na de carnaval (waar ik overigens niet aan deel neem). 40 dagen vasten en dat betekent voor mij: geen wijn, geen snoeperij, geen gebak, geen snacks, geen desserts, geen koffie, limonade en doordeweeks geen vlees. Een door mijzelf opgelegd en bedacht regime. De eerste week doet het enorm pijn. Met name het gebrek aan koffie breekt mij op. Het is een vorm van ontgiften, waar het lichaam uiteindelijk ook een antwoord op heeft. Er ontstaat een nieuwe balans, het went en sterker nog: uiteindelijk voel je je beter dan voorheen.

 

Dit jaarlijkse ritueel ontstond ooit na een weddenschap met mijn vader. Hij dronk in de periode voor Pasen nooit alcohol. Dat leverde aan de paas-tafel altijd een vrolijke apotheose op, want het eerste wijntje na al die weken onthouding had zichtbaar effect. En wie mijn doorgaans ingetogen vader kent, weet: dat was op z’n minst een vermakelijke en licht ontregelende situatie. Wij, als tafelgenoten, maakten daar gretig gebruik van.

 

Het leidde tot een weddenschap. “Doe het zelf maar eens,” zei hij. Dat heb ik gedaan. En gewonnen ook. Het jaar erop kreeg ik na veertig dagen onthouding – en een net zo vrolijk “paasglas” – een fles wijn cadeau. Maar de vorm van onthouding beviel meer dan goed. Inmiddels zijn we zo’n 35 jaar verder. De weddenschap is uitgemond in een jaarlijkse traditie. En ja, een vrij strak en sober regime hoort daar nog altijd bij. Het scheelt niet alleen een kilo of tien, maar het schuift ook iets in je hoofd recht. Minder vanzelfsprekende luxe, iets meer aandacht voor wat genoeg is. En voor wat er echt toe doet.

 

Geloof speelt daar voor mij ook een rol in. Niet zozeer de dogma’s, maar wel de weg naar Pasen. Het vasten geeft die periode extra diepte. Alsof een iets leger lijf zorgt voor wat meer ruimte in het hoofd. Of om het minder spiritueel te zeggen: je denkt net wat helderder.

 

In de Goede Week voorafgaand aan Pasen bezoek ik trouw de kerkdiensten op donderdag, vrijdag en zaterdag. Ik laat me meenemen in de symboliek van Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Afgelopen weekend, tijdens de paaswake, werd een tekst van de Duitse theologe Dorothe Sölle (overleden in 2003) gelezen.

Ik zal niet geloven in het recht van de sterkste

in de taal van de wapens,

in de macht van de machtigen.

Maar ik wil geloven in het recht van de mens,

in de open hand, in de macht der geweldloosheid.

 

Ik zal niet geloven in ras of rijkdom,

in voorrechten, in de gevestigde orde.

Maar ik wil geloven dat alle mensen mensen zijn,

dat de orde van de macht en het onrecht

wanorde is.

 

Ik zal niet geloven dat ik niets te maken heb

met wat ver van hier gebeurt.

Maar ik wil geloven dat de hele wereld mijn huis is

en het veld dat ik bezaai,

dat allen oogsten van wat allen gezaaid hebben.


De oude tekst raakte me. Misschien juist omdat hij schuurt met de realiteit van vandaag de dag. Omdat hij herinnert aan een wereldbeeld dat we niet kwijt willen, maar waar we soms de moed voor lijken te verliezen. Hoop op een wereld waarin verdraagzaamheid en menswaardigheid ruimte krijgen. Dat klinkt misschien wat naïef en zwaar. Je mag gerust denken: “Die Verboom is door dat vasten het zicht op de realiteit kwijtgeraakt.” Ik neem dat risico maar even.

 

Want eerlijk is eerlijk: het is Pasen, maar de wereld voelt allesbehalve “opstandingswaardig” (maar is het eigenlijk des temeer).  We zoeken paaseieren, klagen wat over brandstofprijzen en doen ondertussen vooral wat we altijd al deden. We zien het onrecht (als we dat nog als zodanig kwalificeren), maar zijn er ook aan gewend geraakt. Grootmachten die spierballen rollen, oorlog die maar doorgaat, ziekenhuizen die gebombardeerd worden, hulpverleners onder vuur. En leiders die spreken over vrijheid en vrede, maar precies het tegenover gestelde doen.

We kijken. En we zwijgen nogal eens. Niet omdat het ons niets doet, maar omdat we geen idee hebben wat ermee of tegen te doen. Hoe je je daartoe verhoudt. Wat je bijdrage nog kan zijn.

 

Ik zal niet geloven in het recht van de sterkste

in de taal van de wapens,

in de macht van de machtigen.

Maar ik wil geloven in het recht van de mens,

in de open hand, in de macht der geweldloosheid.

 

Tja… wat moet je ermee?

 

Tijdens een van de kerkdiensten afgelopen week werd de aanwezigen gevraagd een steen te pakken en die onder een berkenhouten kruis te leggen. Nu is er in de christelijke traditie veel over dat kruis te zeggen, maar in dit geval gaat het mij om het pakken van die steen. Een steen voor dat wat zwaar drukt. Iets wat je meedraagt, soms al veel te lang. Om hem neer te leggen, moest je letterlijk door de knieën. Niet als teken van onderwerping, maar van kwetsbaarheid. Even niet sterk hoeven zijn. Even eerlijk zijn.

 

Het deed me meer dan ik had verwacht. Niet alleen omdat ik zelf ook een steen neerlegde (en daar allemaal gedachten bij had), maar ook omdat ik dat deed in een rij mensen die allemaal iets meebrachten wat eigenlijk te zwaar was om alleen te dragen.

 

De rij.

De stilte.

De traagheid.

De ruimte om te voelen wat je normaal wegduwt.

 

Het was geen religieuze plichtpleging, geen toneelstukje. Het was (voor mij) waardevolle symboliek. Menselijkheid. Misschien ook wel machteloosheid die eindelijk een plek kreeg. Kwetsbaarheid als tegenkracht.

Wat me trof: die stenen stonden niet alleen voor persoonlijke zorgen. Ze droegen ook het grotere gewicht dat we collectief voelen. Oorlog, polarisatie, onrecht, het gevoel dat de wereld schuift terwijl wij langs de zijlijn staan. 

 

Tja… en wat je er dan mee kunt (vraagt de nuchtere Erwin in mij)? 

 

Verandert dat dan de wereld van vandaag? Niemand die er iets van merkt. De bommen vallen na de paasdagen nog steeds op Beiroet, op burgerdoelen in Iran en ga zo maar door. Zo'n steen op een stapel verandert er echt niets aan.

 

Misschien gaat het wel om het collectieve besef, om de beleving dat het anders moet en kan. Misschien moet het daar gewoon nadrukkelijker mee beginnen. Een steen verleggen (hoe klein de beweging ook is) is in ieder geval iets. Al is het alleen maar om het besef dat het anders moet en kan te laten ontstaan. Ik moest onwillekeurig denken aan een lied van Bram Vermeulen.

Het is een wat beladen blog geworden. Al schrijvend (het is bijna prekend) wist ik niet zo goed waar ik uit zou komen. Dat weet ik eigenlijk nog steeds niet. Ik maak me zorgen over hoe het dichtbij en veraf gaat. 

 

Dat is eigenlijk de boodschap. Ik wil niet beargumenteren dat de lezer van deze tekst dat niet doet. Ik hoop alleen dat we met elkaar stenen gaan verleggen, dat we in beweging komen, opstaan (om maar iets dat wat met Pasen van doen heeft, te accentueren) en het andere geluid laten horen.

 

Het moet toch anders kunnen? Als we allemaal een steentje bijdragen of verleggen, dan gaan we best een eind komen… 

 

Vast(en) en Zeker.

 

0 Berichten

Door de wind

Er zijn avonden die al memorabel zijn vóórdat ze überhaupt begonnen zijn. Vorige week was zo’n avond. Mijn jaarlijkse theaterhoogtepunt: Stef Bos in Zwolle. Een traditie die inmiddels voelt als een ritueel. Een avond waarin taal, muziek en melancholie samenkomen. Maar dit jaar begon het… tja… anders. Ik twijfelde om eerlijk te zijn of ik er aandacht in een blog aan zou besteden. Het heeft iets plats. Iets gênants. Misschien ook wat ordinairs. Een blog op deze site die begint (laat ik hier het aller-netste woord gebruiken dat ik in de synoniemen tegen kwam) met een flatus. Een blog over flatulentie dus. Excuus daarvoor. Volgende keer weer een wat serieuzer begin.

 

Irene en ik liepen richting het Spiegeltheater, vlak langs De Librije, toen we achter een keurig ouder stel terechtkwamen. Echt zo’n stel waarvan je denkt: die hebben hun zaakjes op orde. Netjes gekleed, geen arm in arm, maar wel in harmonie. Totdat de dame — ik kan het niet anders omschrijven — een soort huppeltje maakte. Een frivool sprongetje dat je eerder verwacht bij iemand die een lot van de Staatsloterij heeft gevonden.

 

Maar wat daarop volgde, was allesbehalve frivool.

 

Een knal (maar dat is niet eens een goede omschrijving: een diep brommende toon die langzaam aanzwol tot een explosief geluid met verschillende klanken en toonhoogten). Lucht die onder hoge druk door een kleine opening moet (of zoiets).

 

Ik moest in een flits terugdenken aan de “Stratenmaker op Zee Show” uit mijn kindertijd, waarin het nette dametje (gespeeld door Wieteke van Dort) ook altijd besmuikt een opmerking “oeps…” maakte met haar hand voor haar mond, nadat ze een klein windje had gelaten.  Mijn ouders vonden dat toen ook al ongepast en de Stratenmaker op Zee show, stond bij ons thuis dan ook niet zo vaak op. Deze nette dame gaf echt geen krimp. Het was echt een onsmakelijk hard geluid en de geur was echt om onpasselijk van te worden: te vergelijken met een openklappend putdeksel waar vijftien jaar stilstaand water onder heeft liggen broeien. Tot zover de plattitudes.

 

Irene en ik keken elkaar aan met een mengeling van ongeloof, afschuw, plaatsvervangende schaamte en medelijden. Haar man deed een subtiel zijwaarts stapje, alsof hij wilde aangeven: ik hoor hier niet bij. Zeer begrijpelijk overigens. Ik had een zelfde soort reflex (en keek even achterom, om te kijken of er achter ons geen mensen liepen: "ze zouden kunnen denken dat ik…. ").

 

Irene probeerde het nog te verzachten: “Misschien heeft ze last van haar darmen, flatulentie vanwege een of andere kwaal.” Ja. Een open deur eigenlijk.  Dit soort natuurgeweld ontstaat niet spontaan.

 

Met een glimlach — en eerlijk is eerlijk, we hebben het beeld de rest van de week nog een aantal keer teruggehaald en er smakelijk om gelachen — sloten we aan in de rij voor het theater. Wel even checkend of het stel niet vlak voor ons stond. Je weet maar nooit.

 

 

En toen begon het. Stef Bos, begeleid door het Noord Nederlands Orkest, onder leiding van Dirk Brossé. Symfonische poëzie die hij in het voorjaar van 2026 in den lande ten gehore brengt. Een overzicht van 35 jaar muziek, verhalen en levenslessen, in een intieme “in‑the‑round” setting (zoals zo mooi in de aankondiging beschreven staat). Klassiek en kleinkunst die elkaar niet alleen raken, maar omarmen.

 

Het was (zoals altijd) prachtig. Groots en toch klein. Alsof je even in een andere werkelijkheid mag stappen. En misschien was dat precies wat ik nodig had. Want buiten het theater, buiten Zwolle, ver weg van het Spiegeltheater en de Librije, buiten onze veilige bubbel, knallen de explosies ook — maar dan zonder humor, zonder gêne, zonder relativering. Beirut, Iran, Amerika… landen die elkaar met gemak pijn doen, alsof leed een soort valuta is geworden. Het voelt ver weg, maar het is dichterbij dan we willen toegeven. Het voelt wat dubbel. De wereld staat in brand, en wij zitten in een theaterstoel te luisteren naar een man met een microfoon, een piano en een orkest dat ademt als één lichaam. Als je er zo over nadenkt is het ook wat gek. En toch… juist daarom is het nodig, houd ik mijzelf dan maar voor..

 

De toegift was (en dat kan je bijna niet bedenken) "Door de Wind", het nummer dat Miss Montreal vorig jaar opnieuw tot leven liet komen. Het nummer is ook van Stef Bos en hij schreef het naar aanleiding van het overlijden van zijn moeder. Stef zong het als afsluiting van een bijzonder concert:  zacht, warm, alsof hij het opnieuw uitvond. Het is een tekst die mij raakt, die me verdrietig maakt, ook omdat ik steeds aan mijn eigen moeder moet denken, ergens weggestopt op een gesloten afdeling in een verzorgingshuis in Vianen. En toch: ergens, tussen die woorden door, voelde ik een glimlach opkomen. Niet alleen om de schoonheid van het lied, maar ook om de bizarre entree van de avond.

 

Want soms is het leven precies dat: een combinatie van poëzie en platte luchtverplaatsing. Van schoonheid en schaamte. Van een traan van verdriet of gemis en een glimlach. Van wereldleed en kleine menselijke momenten die je eraan herinneren dat je leeft.

We liepen het theater uit, nog nagenietend. En ja, we hebben nog even gekeken of het oudere stel ergens liep. Gewoon… voor de zekerheid.

 

Door de Wind… een raar begin, maar een prachtig slot.

'k zie je voor me met m'n ogen dicht

Kan je voelen met m'n hart op slot

'k Hoor je praten, maar je bent er niet

Nee, je bent er niet

 

En ik voel me verloren als ik jou moet verliezen

En je mag nog niet sterven, want ik kan je niet missen

Ik kan je niet missen

 

Door de wind, door de regen

Dwars door alles heen

Door de storm, al zit alles me tegen

Door jou ben ik nooit alleen

 

Ik voel je naast me als ik 's nachts op straat wil vergeten

Wat in m'n ogen staat geschreven

Je moest eens weten

 

En ik wil me verliezen in de roes van een winnaar

En ik zou willen schreeuwen maar ik kan alleen zingen

Ik kan alleen zingen

 

Door de wind, door de regen

Dwars door alles heen

Door de storm, al zit alles me tegen

Door jou ben ik nooit alleen

 

Door een zee van afstand

Door een muur van leegte

Door een land van stilte

Door m'n hele leven

 

Door de wind, door de regen

Dwars door alles heen

Door de storm, al zit alles me tegen

Met jou ben ik nooit alleen

 


3 Berichten

De omgekeerde tijd

Er zijn van die dagen waarop je ’s ochtends in de spiegel kijkt en denkt: is nu het alweer vrijdag? Alsof iemand stiekem aan de wijzers van de klok heeft gedraaid terwijl jij met je hoofd in de mallemolen van het leven en het werken hing. Werken is leuk—laat ik dat vooropstellen—maar soms voelt het alsof je vooral tijd besteedt aan alles wat moet, en nauwelijks aan dat wat echt telt. Je maakt je over alles druk, vergadert, vergadert en vergadert, maar….

ondertussen dendert de wereld door. We leven in een tijd vol onzekerheden: oorlog in het Midden-Oosten, vluchtelingen die letterlijk geen tijd meer hebben om hun eigen leven te redden, politieke onrust, maatschappelijke druk. Terwijl wij ons afvragen hoe we onze agenda’s moeten indelen, vechten anderen voor hun bestaan. Het zet je eigen tijdsbesteding in wat ander perspectief.

 

De tand des tijds

Misschien komt het door het ouder worden dat tijd steeds meer gewicht krijgt. Niet zwaar, maar wel betekenisvol. Mijn vader is inmiddels 88. Heeft onlangs twee weken in het ziekenhuis gelegen (hij kon niet meer lopen) en is nu aan het revalideren. Spannende vraag is of hij de tijd nog krijgt om thuis en zelfstandig te wonen. Of wordt het tijd voor 24-uurs en langdurige zorg? Wij hopen het om eerlijk te zijn. En mijn moeder? Zij woont op een gesloten afdeling, gevangen in een wereld waar tijd geen vaste vorm meer heeft.

 

Het besef dat de tijd met hen nog beperkt is, schuurt en verzacht tegelijk. Het maakt weemoedig en verdrietig. Het maakt momenten kostbaar. Het maakt stilte waardevol. Het maakt zelfs herhaling—dezelfde vraag voor de tiende keer—een soort ritueel van liefde.

 

“Er is een tijd van komen en een tijd van gaan.” Een cliché, maar clichés bestaan toch omdat ze min of meer waar zijn?

 

Waar blijft de tijd? Misschien komt het onderwerp “tijd” wel zo naar voren, omdat we afgelopen week het 50-jarig lustrum van mijn Rotaryclub vierden. Vijftig jaar! Een halve eeuw aan verhalen, vriendschappen, projecten, borrels, goede bedoelingen en soms ook gewoon gezelligheid om de gezelligheid. En dan realiseer je je: ik ben zelf ook al een tijdje onderweg.

 

Of misschien komt het thema "tijd" wel zo naar voren omdat Irene en ik dit jaar ons 40-jarig huwelijk vieren. Veertig jaar. Dat is langer dan sommige landen in vrede leven. Waar blijft de tijd? Soms voelt het alsof we gisteren nog jong waren (ik weet dat ik er nog steeds zo uitzie en dat maakt die gedachte misschien wel verklaarbaar 😉), met plannen die groter waren dan onze portemonnee en dromen die groter waren dan onze ervaring. En nu staan we hier in 2026: 40 jaar jaar verder met een rugzak vol herinneringen en een agenda die eindelijk wat leger gaat worden.

 

De tijd die komt

Want dit jaar gaan we allebei met pensioen. Niet als eindpunt, maar als begin van een nieuw hoofdstuk. Eentje waarin we de tijd niet meer hoeven te managen, maar mogen omarmen. Waarin we niet meer hoeven te rennen, maar mogen wandelen. Letterlijk zelfs: in China, waar we samen nieuwe wegen gaan bewandelen en een oude wereld gaan ontdekken.

China, waar de tijd soms lijkt stil te staan in eeuwenoude tempels, maar tegelijkertijd vooruit raast in steden die sneller groeien dan je Google Maps kunt actualiseren. Een land waar verleden en toekomst elkaar ontmoeten zonder elkaar in de weg te zitten. Misschien is dat precies wat wij zoeken: een manier om onze eigen tijd opnieuw in balans te kunnen brengen.

 

De tijd terugdraaien

En toch… soms zou je de tijd willen terugspoelen. Niet om fouten te herstellen—al zou dat soms handig zijn— maar om momenten opnieuw te beleven. Een lach van je moeder toen ze nog wist waarom ze lachte. De eerste vakantie met Irene. De geboorte van de kinderen. Een avond met vrienden die er nu niet meer zijn. Of gewoon een dag waarop alles klopte zonder dat je het toen doorhad.

 

Die wens om de tijd anders te ervaren, anders te voelen, anders te gebruiken, brengt me bij een lied dat me al jaren raakt: "De omgekeerde tijd" van Stef Bos. Een lied dat precies vangt wat ik soms denk: hoe mooi zou het zijn als we af en toe even terug konden, niet om te blijven, maar om te herinneren hoe rijk het leven eigenlijk is.

 

Ter afsluiting de woorden van deze prachtige song, omdat ze zeggen wat ik zelf niet beter kan formuleren:

 

Soms reis ik in een droom

Door een omgekeerde tijd

Langs een omgekeerde weg

Die van nu naar vroeger leidt

 

Het verleden heeft de toekomst

Want de toekomst is geweest

In een omgekeerde wereld

Waar de klok naar links beweegt

 

En de liefde die voorbij is

Vindt de weg terug naar de bron

Om in schoonheid te verdwijnen

Op de dag dat het begon

 

En de lente wordt weer winter

De elke oorlog die verdwijnt

En de stukgeschoten steden

Staan opeens weer overeind

 

Wat vergaan was en verloren

Wordt geboren uit het graf

Ik leer het evenwicht verliezen

En ik leer het lopen af

 

En ik leer om los te laten

Want je neemt steeds minder mee

In een omgekeerde wereld

Waar de klok naar links beweegt

 

Zo komt alles bij de oorsprong

In een punt weer bij elkaar

Alle voor en tegenstanders

Alle liefde alle haat

 

Alle wegen komen ergens

Bij een tweesprong weer bijeen

Wat vervreemd was, Komt weer samen

Daarna staan we weer alleen

 

En de verte wordt steeds verder

En de leugen wordt weer waar

Zo komt alles bij de oorsprong

In een punt weer bij elkaar

 

En misschien is dat precies wat de komende tijd ons gaat brengen: niet de tijd andersom, maar de tijd opnieuw. Op onze manier. Met ruimte voor elkaar, voor het leven, en voor alles wat nog komt.

 

En als je het de song van Stef Bos wilt beluisteren: De omgekeerde tijd  (<---- link)

 

 

1 Berichten

Het zit in de familie

Onlangs ging mijn jongere broer onderuit. Letterlijk en figuurlijk “out”.  Het is schrikken. Het bleek gewoon een vorm van oververmoeidheid te zijn. Tenminste dat was de oorzaak. Hij is een druk baasje — altijd aan, altijd door. Lange dagen, ach je kent het wel. Een vorm van  (bestuurlijke) verantwoordelijkheid nemen of voelen, noemen ze het. Een familietrekje.

 

Toen ik het hoorde, moest ik een beetje meewarig met mijn hoofd schudden. Op de "wijze‑oudere‑broer-manier".

 

Je kunt het je voorstellen. Tegen broederlief zeg je dan, dat hij het wat rustiger aan moet doen.  “Dit zijn van die signalen… er is toch meer dan werk?.”

 

Het contact verliep via de app overigens. Allebei te druk om te bellen of gebeld te worden. Die app is dan toch wat efficiënter. Idioot eigenlijk, maar wel oprecht de reactie van een bezorgde broer. In de rol van een een soort virtuele levenscoach. Ook dat heet dan verantwoordelijkheid nemen. En ondanks de wetenschap dat hij veel wandelt in de omgeving van zijn woonplaats, toch ook een advies: "Misschien toch iets meer aan je conditie doen, bro?" 

 

Dat laatste doe ik zelf namelijk ook. Sinds een jaar of twee iedere week 1 of 2 keer naar de sportschool. Inmiddels in fase 10 (of 11) van het bekende Milon‑rondje. Gewichtsverlies heeft het niet opgeleverd. Ik verklaar dat (naar de zwemband net boven de heup wijzend) ook een beetje met de duiding dat vet omgezet wordt in spieren. Vrouwlief gelooft dat op de een of andere manier overigens niet.

 

Afgelopen week overigens de overstap naar een nieuwe fase in de Milon Circle. Een tandje zwaarder dus. Een fitte (dacht ik) zestiger, die aan zijn conditie werkt! Het liep toch iets anders. Halverwege ging het licht uit. Niet helemaal tegen de vlakte, maar laten we zeggen dat de vloer en ik even een momentje hadden.

 

Een arts (gelukkig en toevallig aanwezig) hielp me na een half uurtje bijkomen op de grond overeind en adviseerde een bezoek aan de huisarts. Dat is artsentaal voor: “Doe even normaal: je moet niet te veel van je lichaam vragen tijdens zo’n sportmoment. Iets te fanatiek getraind!”

 

En dan moet je eigenlijk ook bekennen dat het iets meer dan dat moet zijn geweest. Mijn brein en lichaam draaien al jaren op een soort turbo‑stand: ongedurig en stuiterend als iemand die voor het eerst 3 koppen espresso achterover slaat. Een beetje ADHD (of iets wat daar op lijkt: het zit in de familie), met het concentratievermogen van een fruitvlieg en dagdagelijks rond 04:30 uur klaarwakker. Want waarom zou je slapen als je hersenenen beginnen te werken.

 

En natuurlijk komt daar nog het een en ander bij. Zorg om je ouders, toch ook wel een wat drukke baan bij het RIVM, overpeinzingen om vervroegd pensioen te overwegen, druk met het boeken van een reis naar China (onze tweede huwelijksreis: we zijn dit jaar 40 jaar getrouwd), voorzitter van de kerkenraad, voorzitter van de Rotary en dan nog wat preekstress in de voorbereiding van een kerkdienst waar ik vorige week zondag voor moest gaan.

 

Als je het positief duidt en een wat andere framing mee geeft: Het is eigenlijk knap dat ik niet dagelijks omval. En om het dan toch ook van wat (onlogische) verzachtende omstandigheden te voorzien: het zit (blijkbaar) in de familie.

 

Voor de zekerheid de dag na het contact met de vloer in de sportschool naar de huisarts. Een soort check up. Belangrijkste conclusie: hart goed, bloeddruk ok, en dus (zo op het eerste gezicht) geen gekkigheden in het lijf in ieder geval. Misschien iets van oververmoeidheid. Volgens mij zei de arts iets in de sfeer van “U heeft de conditie van een jonge god”. Het kan overigens ook “best redelijk voor een man op uw leeftijd” geweest zijn. Of misschien wel "U moet niet denken, dat u het lijf van een topsporter, heeft mijnheer". Maar zoals gezegd: ik denk dat het de eerste conclusie was.

 

Bij de volgende vraag van de arts, moest ik toch even slikken en aan het contact met mijn broer denken. “Heeft u niet te veel hooi op de vork, mijnheer Verboom?” Ik mompelde nog een soort van …”ik denk het niet, geen bijzonderheden eigenlijk”, maar de arts ging nog even door. “Er zijn belangrijkere dingen in het leven dan werk, en dit soort signalen moet je natuurijk ook serieus nemen”. Het was een zinnetje dat ik me vaag herinnerde uit een gesprek (een app-contact) dat ik pas met iemand had. 

 

Ik kan er natuurlijk grappig of luchtig over doen, het een beetje relativeren, maar de boodschap is helder: je kunt niet blijven rennen zonder af en toe stil te staan. Zelfs niet als je denkt dat je het allemaal wel aankunt en ondanks het feit dat dit ook wel een beetje in de familie zit. 

 

Daarom probeer ik het nu toch wat anders te doen. Een gewaarschuwd mens telt immers voor twee. Iets meer afstand nemen van het werk en af en toe wat tijd nemen om even te zitten (en zelfs televisie te kijken). Of  zelfs te gaan liggen.

 

Desnoods op de vloer van de sportschool.

4 Berichten

We moeten door.....

Op deze plek schrijf ik regelmatig over mijn ouders en de situatie van mijn moeder. Hier is weer een update. Voor mij is het een manier om het wat van mij af te schrijven. Het is persoonlijk en toch publiceer ik het. Lees gerust mee: een keertje overslaan (als je het te veel prive vindt) kan natuurlijk ook.

 

Afgelopen weekend was er zo één dat je koestert. Een winters weekje in Nederland. Een witte wereld, prachtige beelden en heerlijk wandelweer. Met Irene genoot ik van een heerlijke wandeling. Mijn vader kwam, zoals elke maand, naar Heerde om even op adem te komen. Niet om te wandelen (hoewel hij graag het bos in had gewild). Dat gaat helaas echt niet meer. Met de stok of een rollator een klein stukje, maar… de mobiliteit is wat minder, zal ik maar zeggen. Het gaat wel op en af, want hij blijft trainen (trappenlopen in plaats van de lift naar/van zijn appartement op de 7e verdieping): het werpt nog vruchten af ook. Eigenwijs maar gedreven als hij is.

 

Een weekend in Heerde. In de watten leggen, op adem komen, verhalen vertellen, een goed glas wijn, herinneringen ophalen: uit de periode dat het nog goed was. Alles komt voorbij. De gierende lach van mijn moeder, de lol die we met elkaar hadden, de lange wandelingen die we maakten. Vaderlief: te gast in Heerde. Hij schuift aan bij het ontbijt alsof het vroeger is, en vindt in de kleine dingen weer wat lucht: een korte wandeling met de rollator, een goed gesprek, een grap die hij zelf halverwege vergeet, maar toch vol overtuiging vertelt, een bezoek aan de kerk. In dit geval mocht ik zelf voorgaan en preken. Weer een extra dimensie. Mijn vader geniet ervan. Kortom: een Quality weekend. Een vader-zoon moment dat we samen koesteren. Rijkdom. Hij 88 en ik ben net 61 jaar geweest 🤭. De jaren tellen. 

 

Dit keer gebruikten we de zaterdag om naar het Kröller-Müller Museum te gaan. Ook dat is een traditie aan het worden. Een museumbezoek op zaterdagmiddag. We hebben in het afgelopen jaar al heel wat musea bezocht. Mijn vader wordt zowaar nog kunstliefhebber en kenner, al zal hij dat niet snel van zichzelf zeggen. De museum jaarkaart halen we er in ieder geval makkelijk uit. Deze keer dus op zoek naar Van Gogh. Voor hem (voor wie niet?) is van Gogh een van de klassiekers . Een grootheid, een man die kleur gebruikte alsof hij het leven zelf wilde vasthouden. Het was mooi om te zien hoe mijn vader met zijn rollator (in een rustig museum) langs de prachtige schilderijen schuifelt. De zonnebloemen, de aardappeleters en al die franse landschapjes.

Voor mij voelde het bijna symbolisch. Van Gogh schilderde vaak vanuit een wereld die voor anderen ongrijpbaar was. Een wereld die hij zelf soms niet meer kon ordenen. En toch bleef hij zoeken naar licht, naar zonnebloemen, naar een hemel die nooit helemaal donker werd. Voor mij werd het daar peinzend en kijkend naar mijn langs de schilderijen sjokkende vader, een metafoor voor hoe het nu met en rond mijn ouders gaat. 

 

Met de eeuwige drang van Van Gogh om het licht te zoeken, zichtbaar in veel van die schilderijen die daar aan de muur hangen, wordt je als bewonderaar bijna in het schilderij gezogen. Je wilt naar binnen, je wilt het vastpakken, maar je verdwijnt met de penseel-streken in iets wat ongrijpbaar is. Het lijkt op het verlangen dat we als gezin hebben om mijn moeder vast te houden, verlangend naar het licht, naar een aanraking en naar een gezamenlijke herinnering en die gierende lach. Ze raakt echter steeds verder uit beeld: zoals een van de aardappeleters in die donkere kamer: amper nog te onderscheiden. Een beetje ver gezocht misschien, maar het voelt wel zo.

  

Het was een prachtige dag. Mijn vader genoot zichtbaar — van de schilderijen, van de rust, van het idee dat hij even niet hoefde te zorgen of te piekeren. We sjokten zelfs nog even door de besneeuwde beeldentuin. Prachtig. Een klein (verkleumd) roodborstje fladderde met ons mee. Een teken van hoop? 

 

Als het over de uitzichtloze situatie met mijn moeder ging (tijdens ons bezoek) zei hij het steeds, de emotie wegslikkend: “We moeten door, Erwin.”  Alsof hij zichzelf toesprak. Hij herhaalde het ook steeds als de situatie met moederlief aan de orde kwam. Alsof hij hoopte dat het leven hem zou horen.

 

Het weekend vloog net als het roodborstje voorbij en we besloten na terugkomst samen nog even naar mijn moeder te gaan. Dat doen we altijd, maar deze keer voelde het alsof we vanuit een lichte, open wereld een donkere kamer instapten. Eigenlijk was dat ook letterlijk zo. De gordijnen waren dicht, er brandde geen licht.

 

Mijn moeder gaat al een tijd achteruit. Ze herkent ons niet meer. Ze neemt nauwelijks nog deel aan activiteiten, die door de zorg worden georganiseerd. De laatste weken trekt ze zich steeds verder terug in zichzelf. Ze slaapt veel, komt bijna niet meer uit bed, en eet nog maar mondjesmaat. De zorg noemt het “de laatste fase van het dementie-proces”. En de troostend bedoelde woorden “we willen het zo comfortabel voor haar maken” klinken mooi en lief, maar ze doen ook pijn, omdat ze het ergste doen vermoeden. Woorden die je wel hoort, maar nooit echt wilt laten landen. 

 

Toen we haar kamer binnenkwamen, lag ze in bed. Stil. Klein. Afwezig. Ze reageerde nauwelijks op onze stemmen, niet op mijn vaders hand op haar arm, niet op mijn aanwezigheid. Niet op Irene. Mijn vader stond naast haar bed en ik zag hoe de ontspanning van het weekend in één klap uit zijn schouders gleed. Hij zei niets. Hij hoefde ook niets te zeggen. De tranen biggelden over zijn wangen. Een kusje op het hoofd van mijn moeder, een aai over haar wang, nog een kusje, maar geen reactie. 

Het was ontluisterend. En pijnlijk. Zoveel liefde, zoveel onmacht en zo ontzettend verdrietig. Misschien had ze een slechte dag, dat kan. Maar het past bij de lijn die we al weken zien: ze glijdt verder weg, stap voor stap, alsof ze langzaam een deur achter zich sluit die wij niet meer kunnen openen. Een donkere kamer, een vage schim aan de tafel, zoals van Gogh het zou schilderen.

 

Na meer dan zestig jaar huwelijk moet mijn vader afscheid nemen van iemand die er nog is, maar ook weer niet. Het is hier al zo vaak opgeschreven.

 

Hij begrijpt het niet altijd. Ik ook niet overigens,

Hij wil het ook niet begrijpen.

En wie kan hem dat kwalijk nemen.

 

Toch zegt hij steeds weer: “We moeten door.”  

Het is zijn houvast.

Zijn manier om niet stil te vallen.

 

Zijn manier om te blijven liefhebben, zelfs nu dat liefde geven vooral loslaten betekent. En toch.... het hart wordt niet dement en misschien is dat wel net het haakje dat het loslaten zo moeilijk maakt.

 

Waarom ik dit opschrijf? Niet om te dramatiseren. Daar is de situatie al dramatisch genoeg voor. Ik denk dat het goed is om te delen wat er gebeurt. Omdat het helpt om woorden te geven aan iets dat eigenlijk geen woorden heeft.

 

En omdat verdriet draaglijker wordt wanneer het niet alleen gedragen hoeft te worden. Als mensen snappen, waarom je soms bij het minste of geringste plotseling vochtige ogen hebt. Het doet pijn om je ouders zo te zien. 

 

We houden de familie, onze vrienden en jou als lezer op de hoogte.

 

En we houden elkaar vast, op de manier die nog kan.

 

En ja — we moeten door.

 

Maar soms mag je ook even blijven staan. Even naar dat roodborstje aan de voeten van mijn vader kijken.

4 Berichten

Op een voetstuk (of liever niet...)

Het is al een aantal weken geleden. Een artikel in de Volkskrant . Mijn oog viel op de kop: “Hoe doe je dat, verboomeren?”

Ik moest de krantenkop twee keer lezen. Staat er nu echt verboomeren?

 

Verboomeren? Bestaat dat woord? Waarschijnlijk niet. Maar het deed op de een of andere manier wel meteen wat. Zo’n woord dat zich vastzet en weigert weer weg te gaan.

 

Het zal bij mensen met een andere achternaam (en dat zijn er echt heel veel) niet iets hebben losgemaakt. Hooguit iets van verbazing over het ook voor hen wellicht onbekende woord, dat eigenlijk een vorm van neologisme is.  Maar voor iemand die mijn achternaam draagt, riep het (in ieder geval bij mij) toch iets meer dan verbazing op. Als je het woord een beetje kantelt en splitst staat er ineens. "Verboom eren".

 

Nou en daar zijn wij thuis niet van.

 

Zo ben ik niet opgevoed. "Bescheidenheid siert de mens" en het eren van Verboom roept bij mij geen trots op, maar eerder dat specifieke soort schaamrood dat hoort bij een opvoeding waarin “doe maar gewoon” het hoogste levensmotto was.

 

Iemand eren? Liever niet. Zeker jezelf niet. Op een voetstuk staan voelt al snel ongepast. Ook als anderen dat doen overigens. Bescheidenheid dus. Met de paplepel naar binnen gewerkt. Voornamelijk door mijn vader, die misschien wel ge-ëerd moet worden om zijn bescheidenheid en het “op de achtergrond” staan. Het werd zeer nadrukkelijk zichtbaar, toen hij een koninklijke onderscheiding  (meer dan verdiend, trouwens) kreeg opgespeld door de burgemeester van Vianen. Op het podium probeerde hij vooral níét gezien te worden, half verscholen achter mijn moeder — die dezelfde onderscheiding kreeg en moeiteloos de show stal. Mijn ouders zijn karakterologisch (weer zo’n bijzonder woord) contraire aan elkaar.

 

De binnenvetter die mijn vader is en het extroverte van mijn moeder. De een is flapuit, de ander stil en meestal in een hoekje van de ruimte te vinden. De een altijd positief (met dat halfvolle glas) en de ander meer beschouwend, soms wat somber en vaak met een halfleeg glas. Een symbiose, een mooie Yin-Yang combinatie, die in deze periode van dementie, loslaten en afscheid nemen op een pijnlijke manier wordt doorbroken. Een ander onderwerp overigens, waarover al veel geschreven is in deze Blog-reeks.

 

Terug naar mijn ouders en het onderwerp nederigheid. Ondanks de verschillen zijn mijn ouders de bescheidenheid en ingetogenheid zelve. Gewone mensen die er op de achtergrond ook gewoon (met alle liefde) zijn, het beleven en regelen. Altijd op de ander gericht overigens. Je zelf wegcijferen (de ultieme vorm van bescheidenheid en zachtmoedigheid), of zoiets.

Maar goed: het Volkskrant-artikel ging natuurlijk helemaal niet over mij of mijn familie. Het ging ook niet over “eren” en “iemand op een voetstuk zetten”.  Hoewel…..

 

Het ging over boomers (uitspraak: boemers). Mensen geboren na 1945: de generatie die het -kort door de bocht gezegd- “gemaakt” heeft. Bezit, zekerheid, een goede baan, een mooi pensioen, een huis en een in ieder geval een mooie plek om te wonen. En daar wringt het nu. Want wie geen boomer is, staat vaak aan de kant terwijl alle stoelen al bezet zijn.

 

In datzelfde artikel kwam het boek "De bandagist" van Marente de Moor voorbij. Dat is overigens ook logisch bij een recensie, want dat was het artikel eigenlijk. Een roman over iemand die geen dingen geneest, maar ze bijeenhoudt. Met zwachtels. Bandages aanbrengt. Tijdelijk. Zodat het lichaam kan blijven functioneren, ook al kraakt het aan alle kanten.

 

Dat beeld bleef los van het woord verboomeren dus ook hangen. Want is onze samenleving niet precies zo’n lichaam? Met oude breuken, scheefgroei en pijnlijke plekken? Neem de woningmarkt. Voor veel jongeren is wonen geen startpunt meer, maar een uitputtende evenwichtsoefening. Mijn dochters wonen prachtig — maar betalen voor een (te kleine) kamer meer dan ik ooit aan hypotheek-rente moest ophoesten. Bezit is steeds minder iets wat je opbouwt, en steeds vaker iets wat je erft.

 

Het probleem is overigens niet dat sommige mensen (alles) hebben, hoewel je daar met een wat linkse inborst ook anders naar kunt kijken. Het probleem is dat het systeem zo strak staat afgesteld dat bewegen bijna onmogelijk wordt. Wie zit, blijft zitten. Wie staat, blijft balanceren.

 

En precies daar raakt "De bandagist" iets groters. De vraag is niet: wie moeten we ondersteunen? Maar: waarom raakt het lichaam steeds opnieuw overbelast? De echte vraag is of we durven voelen waar het pijn doet, waar het wringt, de vragen durven stellen — maatregelen willen treffen en of we daar dan samen verantwoordelijkheid voor nemen.

 

Misschien is verboomeren dan toch het juiste woord. Niet als eerbetoon en al helemaal niet als voetstuk. Maar als houding. Erkennen dat je plek niet alleen je eigen verdienste is. Deze tijd vraagt niet om helden, maar om bandagisten: mensen die ondersteunen zonder zich boven anderen te plaatsen.

 

En ja, daar mag best een beetje lucht bij. Want zolang we nog woorden kunnen verzinnen, ermee kunnen spelen en erom kunnen glimlachen, is er beweging mogelijk.

 

Dus: verboomeren? Graag. Maar dan zonder voetstuk. Met open handen en oog voor de wereld. Dat mag dan wel verder gaan dan “pleisters plakken” of “bandages aanbrengen”. De vinger op de zere plek leggen en het bespreekbaar maken.

 

Daar hoort dan ook wel een vorm van bescheidenheid bij overigens. Ook omdat het daarbij niet om jezelf gaat, maar om de ander.

4 Berichten

Guilty Pleasure.... (iets met een stofzuiger)

Iedereen heeft ze: guilty pleasures. Van die kleine, stiekeme genietmomentjes waarvan je eigenlijk vindt dat ze niet passen bij het beeld dat je van jezelf hebt. Ik heb er meerdere, maar eentje steekt er met kop en schouders bovenuit: mijn onverklaarbare liefde voor James Bond-films.

 

Ja, echt. Erwin die bij het journaal wegdraait zodra er beelden uit Gaza of Oekraïne voorbij komen. Erwin, die bij het zien van bloed spontaan een kleur krijgt die niet in het standaardpalet van de mens voorkomt. Erwin, die met een christelijke-pacifistische opvoeding is grootgebracht — “zoek het geweld niet op, bied desnoods de andere wang aan” — Erwin dus… smult van 007.

 

Het heeft niets met het omsmelten van wapens tot ploegen te maken, in ieder geval (om maar een verwijzing naar de Bijbelse teksten te maken).

 

Waar het vandaan komt? Geen idee. Schaam ik me ervoor? Een beetje.

 

Geniet ik ervan? Absoluut.

 

En nu ik toch bezig ben met mezelf publiekelijk te ontmaskeren, kan deze er ook nog wel bij: In de huishoudelijke taakverdeling tussen Irene en mij is het stofzuigen mijn domein. Niet omdat ik er talent voor heb, maar omdat het nu eenmaal zo gegroeid is.

 

Ik probeer me er regelmatig onderuit te wurmen, maar op dagen dat we samen thuis zijn en de vloer zichtbaar om aandacht vraagt, ontkom ik er niet aan. Zeker niet als Irene me aankijkt met die blik die zegt: “Je weet wat je te doen staat.”

Stofzuigen is geen pleasure. Maar ik maak er wél een feestje van.

 

Want hoewel ik een groot liefhebber ben van Bach, Vivaldi en Schubert en doorgaans trouw afstem op Radio 4, heb ik nóg een guilty pleasure: Status Quo.

 

Ja, die band van het eeuwige geram op gitaren, de nummers die allemaal op elkaar lijken en de ritmes waar je automatisch van gaat stuiteren. Het moet iets zijn uit mijn middelbare schooltijd, toen ik nog lang haar had dat daadwerkelijk kon wapperen tijdens het headbangen.

 

Zet Rockin’ All Over the World of Down Down op, en ik verander ter plekke in een puber met teveel energie en te weinig schaamte. Stuiterend en springend door de kamer, zal ik maar zeggen. Het gênante beeld dat niemand zou moeten zien

 

En dan nu het plaatje. Stel je voor: het volume op standje burenruzie, Status Quo uit alle Sonos-speakers in Zonnestein, en midden in de woonkamer een kale zestiger met een licht (er zijn ook mensen in mijn omgeving die "overmatig" zeggen) overenthousiast buikje. In zijn handen geen iconische elektrische gitaar, maar een stofzuigerslang die dienstdoet als luchtgitaar.

 

Ik wil eigenlijk zelf niet weten hoe het eruitziet. Maar als ik het me probeer voor te stellen, vermoed ik dat het ergens tussen “komisch” en “therapeutisch onverantwoord” in hangt. Headbangen zonder haar is sowieso een uitdaging. Gelukkig staan er hoge rododendrons voor het raam, zodat de buurt niet hoeft mee te genieten van mijn interpretatie van I Want to Break Free (op het ritme van Status Quo).

 

Mijn collega’s zouden me nooit meer serieus aankijken. En de kerkgangers die soms naar een preek komen luisteren als ik op de kansel sta, waarschijnlijk al helemaal niet. Kan je serieus naar iemand luisteren of kijken als je dat beeld op je netvlies hebt van een kale, volumineuze zestiger die je door een kamer ziet springen, met een stofzuigerslang als muziekinstrument? De lezer mag het zeggen. 

 

De moraal van het verhaal? Misschien heeft het toch iets te maken met dat nummer van Queen: "I want to break free".

Want eerlijk: wat maakt het uit wat anderen ervan vinden? Als ik er blij van word, als het me even laat ontsnappen aan de ernst van de wereld — dan is dat genoeg.

 

Weg met de schaamte. Weg met het schuldgevoel.

 

Lang leve het plezier.

 

Roll Over Lay Down!

 

(zeker als de vloer daarna nog stofvrij is ook....) 

  

2 Berichten

Was het maar altijd kerst

Op weg naar kerst 2025. Afgelopen donderdag hadden we met onze Rotaryclub de jaarlijkse kerstviering. Ik hield een korte toespraak (je zou het bijna een voorgelezen blog kunnen noemen), die ik uiteindelijk maar wat herschreven heb om er een blog van te maken voor op deze site. Iets in de sfeer van: “Het was al bijna een blog. Het werd uiteindelijk ook een Blog”. 

 

Kerst is een bijzondere tijd. Voor de één is het een diepgeworteld christelijk feest, het verhaal van licht dat in de wereld komt, van hoop die geboren wordt in kwetsbaarheid.

 Voor de ander is kerst wat minder verbonden aan geloof, maar juist aan iets anders dat minstens zo waardevol is: samen zijn. Met familie, met vrienden in verbinding met mensen bij wie je je thuis voelt.

 

En misschien is dat wel precies wat kerst voor velen van ons vandaag betekent: een moment van echte verbinding. In een wereld die vaak snel, luid en veel te hard is, zoeken mensen met kerst – bewust of onbewust – naar rust, naar betekenis, naar een lichtpuntje in donkere tijden.

 

Er wordt rond kerst vaak gesproken over cadeaus, versiering, de inkopen voor het kerstdiner en over de drukte die dit alles met zich meebrengt. Maar steeds vaker horen we ook andere verhalen. Alternatieve vieringen, gewone etentjes (met hutspot en een gehaktbal), kerstgedichten, zonder plattitudes, glitter of commercie, maar met woorden over dankbaarheid, over het geluk van kleine dingen. Over de warmte van samenzijn aan een tafel, een arm om iemand heen, of simpelweg een luisterend oor voor wie het moeilijk heeft.

De teksten rond kerst gaan over het delen van liefde in plaats van het uitpakken ervan. Over veerkracht, wanneer het leven niet vanzelf gaat. Over vrede vinden, soms niet in de wereld om ons heen, maar eerst in onszelf. En over vriendschap en familie – gekozen of gegeven – als bronnen van troost en kracht.

 

Dat zijn eigenlijk heel universele waarden. Of je nu vanuit een christelijk perspectief kijkt of gewoon vanuit menselijkheid: we gunnen elkaar in deze tijd hoop, nabijheid en het gevoel dat je er niet alleen voor staat.

 

We voelen ons er dan allemaal goed bij. En dat is eigenlijk het intrigerende. We zoeken het “kerstmoment” (in welke vorm dan ook) verlangend op. Kijken er naar uit en maken er werk van. En wat daar intrigerend aan is? Als je dat met elkaar zo graag wilt, het een fijn gevoel geeft om iets moois met elkaar en voor de ander te doen: waarom kan dat alleen met kerst? Als we dit met elkaar zo graag willen, waarom gaat het na 26 december dan weer net zo als voor de kerstdagen. De korte lontjes, de claxon als het niet snel genoeg gaat bij het inparkeren, die extra gift voor de Voedselbank of een vorm van empathie voor de gelukzoekers (wie is dat niet?) in het COA? Mensen zijn vreemde wezens. 

 

In de toespraak voor de rotaryclub, ging het over “het streven naar harmonie en het daarmee goed hebben met elkaar en je omgeving” (laten we het het ultieme kerstgevoel noemen). Precies dat raakt aan wat een groep mensen met oog voor de omgeving in de kern moet zijn. Binnen Rotary noemen we het “Unite for Good”.  Want wat doet een Rotaryclub anders dan het bouwen aan verbindingen? Fellowship (veel gebruikt om de onderlinge relaties binnen een club te typeren) is niet zomaar een woord; het is de kern van samen onderweg zijn, elkaar kennen, elkaar steunen en samen plezier maken. En “Unite for Good” is misschien wel een van de mooiste kerstgedachten die er is: je verbinden met elkaar, niet alleen voor jezelf, maar om iets goeds te betekenen voor anderen. Ach…en dat probeer je vanuit de kerk of bijvoorbeeld de Voedselbank ook het hele jaar door te doen. En is dat iets specifieks voor Rotary? Neen natuurlijk niet. Aandacht voor elkaar hebben en een helpende hand bieden op de plek waar het nodig is: dat mag je toch eigenlijk van iedereen verwachten?

 

We vieren kerst met elkaar. Misschien wel juist omdat het niet allemaal perfect is, omdat niet iedereen hetzelfde denkt of gelooft, maar juist omdat we samen zijn. Omdat we weten dat het goede vaak begint in kleine gebaren, in aandacht, in vriendschap.

 

Een oproep en een wens om er dus een mooie kerst van te maken: Met goede gesprekken, met warmte, met muziek, met humor en misschien ook met een beetje stilte op zijn tijd. En laten we meenemen wat kerst ons wil zeggen: dat licht sterker is dan donker, dat verbinding sterker is dan afstand, en dat samen vaak meer is dan alleen.

 

Ik wens jullie fijne kerstdagen toe!

 

(Kon het maar altijd kerst zijn….)

 

3 Berichten

Een gevoelige snaar (de theremin)

Ik heb het al eerder geschreven op deze plek. Ik heb afscheid genomen van de actualiteiten programma’s op de radio. Ik luisterde er altijd naar op weg naar het werk en weer terug. Naar NPO1 of naar BNR. De interviews, de interviewers, de items en vooral het (politieke/wereld) nieuws: ik kon het niet meer  zo goed aanhoren. 

 

Radio538, 3FM of een van de andere popzenders liggen me ook niet. Het werd dus radio NPO4. Elke ochtend op weg naar het werk luisteren naar de klassieke muziek die ik steeds meer ben gaan waarderen. Heerlijk. Het volle hoofd wordt leeg geveegd door tonen en klanken. Het geeft op de een of andere manier rust en je kunt heerlijk wegdromen op de muziek (op de A28 is dat natuurlijk figuurlijk bedoeld). Paradijselijke muziek, terwijl de wereld in brand staat.

 

Ik had het niet verwacht, die ochtend tussen Heerde en Bilthoven. Het was denk ik 06:10 uur, de snelweg nog bijna leeg, de lucht grauw, donker en stil. Ik reed gewoon — half wakker, half op de automatische piloot — toen ineens het "Ave Maria" van Bach klonk. Maar niet zoals ik het kende. Niet gedragen door een stem, niet gedragen door strijkers. 

 

Het werd gespeeld op een theremin, zo vertelde de presentator. Nog nooit van gehoord, maar blijkbaar een heel bijzonder instrument.  “Een theremin is een elektronischmuziekinstrument dat bespeeld wordt door de afstand tussen de handen en twee antennes te variëren. De speler raakt het instrument niet aan. De rechterhand beïnvloedt de toonhoogte en de linkerhand het geluidsvolume. Doordat minimale bewegingen al hoorbaar zijn, klinkt het instrument bijzonder expressief. De klank lijkt op die van een vrouwelijke operastem of een viool, maar het meest benadert de theremin het geluid van een zingende zaag.”

 

Muziek maken met radiogolven en magnetische krachten of zoiets. Echt heel bijzonder. Ook om te zien overigens. Onderaan deze blog vind je een link naar het filmpje waarin het Ave Maria wordt gespeeld met een theremin.

 

Terug naar de A28 en dat bijna onzichtbare instrument waarbij de muzikant zijn handen door de lucht beweegt alsof hij iets onzichtbaars, probeert te strelen. Zo voelde het ook: alsof er iets — iemand — ineens heel zacht langs mijn hart streek. De klank was zo puur en zo kwetsbaar dat ik de tranen niet tegenhield. Ze kwamen gewoon, geraakt door de muziek. Ongevraagd. Ongefilterd. Uit het niets., ’s ochtends kort na 6 uur op de A28. Gekker moet het toch niet worden, zou je denken.

 

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik de laatste tijd sowieso wat sneller vol schiet. Hoe het komt weet ik niet. De tranen zitten gewoon hoog en ik kan door het minste of geringste vochtige ogen krijgen. Iets onbenulligs, iets teers, iets kwetsbaars. Emoties die vroeger ergens bleven hangen, vinden nu direct de weg naar mijn ogen, raken een gevoelige snaar. Is het de leeftijd? Een vorm van niet labiel zijn. Komt het door een soort vermoeidheid van binnen, door zorgen? Of is het geen zwakte maar kracht: dat je eindelijk durft toe te geven dat sommige dingen je gewoon raken? En dat je geen belemmeringen voelt om dat te laten zien?

 

Terwijl dat Ave Maria de auto vulde en dat beeld van dat onzichtbare instrument op het netvlies stond, moest ik denken aan mijn moeder. Aan hoe ze onlangs zachtjes mee neuriede met muziek uit lang vervlogen tijden. Hoe ze met haar handen de maat aangaf, als een dirigent van een orkest dat alleen zij nog volledig kon horen. Alsof zij een theremin bespeelde. Een hoopje ellende zat daar in bed, met lege ogen, ja… maar óók iemand in wie de muziek van vroeger nog steeds een deurtje in haar brein opent. Misschien herkende ik in het geluid van de theremin diezelfde fragiliteit: de dunne draad tussen wat er was en wat er nog is. De trillingen van iets dat niet aangeraakt wordt, maar wel een diep geheugen oproept.

Mijn moeder: verdwenen in de mist van haar dementie. Maar óók iemand die op dat moment nog even helemaal zichzelf was. Wel met de bril van iemand anders op haar neus, overigens. Dirigerend zoals ze vroeger haar koren dirigeerde, muziek als laatste lijntje naar vroeger, naar wie ze ooit was. 

 

Misschien dat daarom het Ave Maria me zo trof. Omdat het me herinnerde aan die ene trilling van herkenning die bij haar nog door het lichaam ging. Een trilling die je niet ziet, maar voelt. 

 

En natuurlijk is het, dit zo schrijvend, wat zwaar aangezet en nogal melodramatisch, maar de theremin werd voor mij die ochtend meer dan een instrument. Het werd een metafoor voor hoe het leven soms is: je raakt het niet, en toch raakt het jou. Je beweegt door de ruimte van je eigen herinneringen, en ineens — zonder dat je weet waarom — begint er iets te resoneren. Iets dat dichtbij komt, of juist verder weg beweegt, afhankelijk van waar jij staat.

 

Schoonheid laat zich niet vastpakken. Teerheid ook niet. Het is er of het is er niet. Maar als het er ís, dan snijdt het door alles heen. Dan opent het iets waar je geen woorden voor hebt, maar wat je wel voelt met een helderheid die bijna pijn doet. Een gevoelige snaar.

 

En zo reed ik verder, over de A28, met vochtige ogen en natte wangen, terwijl een onzichtbaar instrument mijn hele binnenwereld opende. Het was maar een kort muziekstuk. Het was maar een kort moment. Maar het raakte aan iets echts. En misschien is dat genoeg. Misschien is het zelfs precies waar het leven soms om draait.

 

Het hield mij onderweg wel bezig en toen ik even later de afrit bij Bilthoven nam, bedacht ik, dat ik zélf misschien misschien ook wel een soort theremin ben. Zo’n instrument dat je niet hoeft aan te raken om toch van slag te raken — letterlijk en figuurlijk. Het zou een hoop verklaren. Mijn emotionaliteit, mijn spontane vochtige ogen, en zelfs mijn neiging om al bij het boodschappenlijstje van de Jumbo weemoedig te worden (“halfvolle melk… net als vroeger…”).

 

Maar goed. Ik ben geen theremin. Ik ben gewoon iemand die tegenwoordig sneller vochtige ogen krijgt dan de ruitenwissers kunnen bijhouden en zich zelfs laat ontroeren door een instrument dat klinkt als een zingende zaag. Misschien is dat wel heel erg melodramatisch. Misschien ook niet. Ik weet het niet. Wat ik wel weet: zolang de wereld in brand staat, mijn hoofd te vol zit en mijn moeder in bed zachtjes dirigeert naar een orkest dat niemand meer hoort, zal ik blijven rijden over de A28 — hopend dat er nog eens zo’n onzichtbare snaar wordt aangeraakt.

 

En als dat allemaal te groot en te zwaar klinkt (dat is natuurlijk ook zo): ach… misschien had ik die nacht gewoon te weinig geslapen. Dat kan natuurlijk ook. 

 

(om het Ave Maria met de Theremin te beluisteren: onderstaande foto aanklikken)

3 Berichten

Herfst in Heerde (rijpen of rotten)

De herfst. Het is zo’n seizoen dat je elk jaar opnieuw verrast. Het kleurenpallet in het bos is fantastisch. Het begint met de Amerikaanse eiken en langzaamaan kleurt de rest van de bomen ook. Rood, geel, bruin, groen: in het bos, in je tuin. En terwijl je over het grindpad van de oprit loopt en het knispert onder je schoenen, voel je weer dat zachte duwtje van de natuur dat zegt: rustig aan, joh. De wereld draait ook zonder jouw to-do lijst.

 

En die wereld om je heen draait overigens dan wel een beetje door, dat kun je ook wel stellen. Zorg om en voor je ouders – iets tussen liefde, plicht en zorg – vraagt elke week weer een nieuwe combinatie van geduld, pijn en verdriet. Op het werk dendert de rat-race ondertussen vrolijk door: “Turbo aan, reflectie uit.” Je probeert dapper mee te rennen, maar het is domweg ook wel eens te veel. Te vol. Die agenda, die mailbox, amper tijd om adem te halen. Van kop tot staart volgeboekt. Ik geniet er nog een soort van ook. Het lijkt wel of ik er energie van krijg.

 

Hoewel….. er zijn gelukkig ook van die eilandjes van ontspanning, die iets anders laten ervaren. Een wijnproeverij in Zwolle met vrienden van de Rotary: fijne mensen, mooie gesprekken, en wijnen waarvan je de namen later niet meer precies weet, maar de gezelligheid des te beter.

 

Met je dochters een potje jeu de boules spelen in Utrecht op zaterdagmiddag, waar vooral duidelijk wordt dat er niemand talent heeft (behalve de oudste van de tweeling natuurlijk), maar iedereen plezier. Het vervolg die avond in Utrecht, eten in een omgebouwde kerk waar het orgel nog pontificaal aanwezig is en waar mijn grootmoeder (ze moest eens weten) vroeger haar psalmen zong. En dan afsluitend samen met je dochters in een kroeg op het Neude met een kop thee, waar je weer even het gevoel hebt dat de wereld prima te doen is – zolang je maar met de juiste mensen om een tafel zit.

En op zondagochtend is er de kerkgang, die onverwachte oase in de week. Niet omdat je ineens heilig wordt (daar is veel meer voor nodig dan één uur stilte en bezinning), maar omdat het even een plek is waar je mag ademen, nadenken, zingen – of in elk geval zachtjes meebewegen – en waar de predikant af en toe precies de vraag stelt die je zelf net had weggeduwd. Inspiratie en rust, in een wereld die vooral heel hard probeert om allebei te ontkennen. Een wereld die alleen maar in uitersten, tegenpolen en verschillen denkt.

 

Kijk naar de landelijke politiek, zo kort na de onlangs gehouden verkiezingen. Een wedstrijd ver plassen of  “Wie kan het hardst niet luisteren?”. Gekonkel, achterkamertjes, uitsluitingen alsof het een stoelendans is, en vooral veel eigen belang dat schaamteloos verpakt wordt als landsbelang. Je kijkt naar de debatten en denkt: tjonge, zelfs mijn dochters bij het spel jeu de boules kunnen beter samenwerken. En ook zij gooien de bal soms de verkeerde kant op. Net als ik overigens.

 

Misschien is dat ook waarom Theo Maassen zo goed binnenkwam, die zondagavond in het Spiegeltheater in Zwolle. Zijn voorstelling “Onbegonnen werk” draait om de vraag: rijpen we als maatschappij, of rotten we een beetje weg? Hij keek naar ons zoals je naar jezelf kijkt na een lange dag: mild, kritisch, soms wat wanhopig. Hij mist de tijd van ‘praatjes maken’, toen bumpers nog van rubber waren en mensen ook een beetje tegen een stootje konden en dat van elkaar accepteerden. Waarbij fake nieuws gewoon de Fabeltjeskrant was en we niet over "Designer Drugs" spraken, maar over een "broodje poep", omdat ome Willem dat zo nadrukkelijk zong.

 

Niet alles was even scherp – soms zat hij te mopperen, zoals Irene die net ontdekt heeft dat haar favoriete app op haar telefoon is geüpdatet en dan de basis functies niet meer kan vinden. En toch… ergens raakte Theo Maassen de kern: we botsen te weinig mét begrip en te veel mét verwijt.

 

En dan loop je weer door Heerde, onder een herfsthemel die alle kleuren tegelijk draagt, en je denkt: Misschien moeten we gewoon wat meer op die spreeuwen gaan lijken, die Maassen als achtergrond foto bij zijn optreden gebruikt. In beweging blijven. In groepen vliegen. Elkaar niet vermijden maar ook niet beschadigen. En soms, heel soms, gewoon even neerstrijken met een glas wijn, een spelletje, een preek die binnenkomt, of een avond vol grappen. Want tussen alle drukte, de zorg om mijn ouders, politieke soapseries en werkgedoe door, is er gelukkig nog genoeg dat niet rot. Maar juist prachtig rijpt. En dat is al heel wat.

 

Geniet van het leven, geniet van de kleur.

Geniet van elkaar, van vriendschap, van het bos en de herfst.

1 Berichten

Ja leuk: van mineur naar majeur..

Om eerlijk te zijn kan ik het niet meer aanzien. De praatshows, de nieuwsberichten en al die beelden die dagelijks via internet en de journaals over ons worden uitgestort. En ik kan het al helemaal niet meer aanhoren. Niet omdat ik weg wil duiken voor de realiteit, hoewel…. Met een mooie wandeling hier over de Renderklippen, waar de eerste herfstkleuren aan de rand van de heide hun pracht laten zien, droom je toch even weg van alle gedoe op het nationale niveau, de dommige debatten en commentaren en de ellende wereldwijd.

 

Dan moet je natuurlijk niet de wolf tegenkomen, die ons bosgebied tot zijn territorium heeft gemaakt. Daar zou je natuurlijk ook een blog over kunnen schrijven. 

 

We leven in een wereld die klinkt als een verkeerd gestemd orgel. Politiek gekonkel, populistische one-liners en talkshowtafels die meer lawaai dan inhoud produceren: het is de soundtrack van deze tijd. Verkiezingen draaien niet meer om visie, maar om het beste refrein. En wij, het publiek, zingen gedwee mee. Niet omdat we het geloven, maar omdat we zo graag willen geloven dat er simpele oplossingen bestaan. Het is de junkfood van de democratie: snel, goedkoop en uiteindelijk schadelijk. En het is intrigerend hoe eenvoudig de kiezers er in mee gaan en het voor zoete koek aannemen. Schaamteloos gooien ze stenen op en rond het malieveld. De onderbuik van de maatschappij. We schreeuwen er rustig op los. Het tegengeluid is er niet of krijgt geen aandacht. Wie nuance zoekt, blijft vaak met lege handen achter. In Nederland buitelen partijen over elkaar heen om de verontwaardiging het hardst uit te schreeuwen.

 

In Amerika zien we het extreme voorland: framing, complotten, stemverheffing en stilte waar woorden zouden moeten klinken. Gaza, Oekraïne, klimaat, migratie—het zijn akkoorden die voortdurend in mineur blijven hangen. Het grijpt naar de keel. De beelden, de geluiden, de eindeloze herhaling: ik kan ze zoals gezegd nauwelijks meer verdragen. Radio 1, BNR, Nieuwsuur… steeds vaker draai ik de knop om. Niet naar nóg een analyse, maar naar Radio 4. Daar waar violen en celli me verlossen van het monotone gemompel van meningen.

En afgelopen week was daar in Zwolle Pieter Derks. Het theaterseizoen is deze week voor ons weer begonnen: we hebben ook dit jaar weer wat voorstellingen geboekt. Het heeft een soort “Renderklippen-effect “ (maar dan zonder wolf).

 

In het Spiegeltheater gooide Pieter Derks de ramen open en liet frisse lucht naar binnen stromen. “Ja leuk”, heet zijn voorstelling, en dat is precies de paradox die hij beheerst. Hij fileert het nieuws, plukt de absurditeiten eruit, maar met een verfrissende energie, met nuance en een vleugje levenslust. Waar politici elkaar overschreeuwen, zet hij er een pianootje onder en met zijn muzikale begeleidingsgroep wordt het een harmonieus geheel met een vrolijke twist. Waar de samenleving verhardt, strooit hij mild-ironische relativering. Niet om af te breken, maar om de boel draaglijker te maken. Voor even denk je inderdaad: ja, leuk.

 

Een dag daarvoor zaten we ook al in het Spiegeltheater, dit keer voor de Symphonie Fantastique van Berlioz, uitgevoerd onder leiding van Alexei Ogrintchouk. Wat een verschil met het wereldnieuws: geen geschreeuw, geen framing, maar strijkers, blazers en pauken die elkaar optilden. Geen partij die de boventoon voerde, maar een harmonie waarin ieder instrument zijn plek had.

 

Voor even ging ook hier het leven van mineur naar majeur.

1 Berichten